ECLI:NL:HR:2007:AZ2526
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J.M. Corstens
- B.C. de Savornin Lohman
- W.A.M. van Schendel
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens tijdige kennisgeving uitspraak
In deze strafzaak was verdachte bij verstek veroordeeld door het Gerechtshof te 's-Gravenhage op 3 april 2001. Verdachte stelde op 11 november 2005 cassatieberoep in tegen dit arrest. De Hoge Raad onderzocht de ontvankelijkheid van dit beroep, met name of verdachte tijdig met de uitspraak bekend was gesteld.
De stukken toonden aan dat de mededeling van het arrest aan verdachte in persoon was uitgereikt, met een akte die was ondertekend door verdachte en voorzien van een inkomststempel van het ressortparket met datum 7 april van een jaar vóór het instellen van het cassatieberoep. Dit impliceert dat verdachte ruim vóór 11 november 2005 met de uitspraak bekend was.
Op grond van artikel 432, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering volgt hieruit dat verdachte niet ontvankelijk is in het cassatieberoep. De Hoge Raad bevestigde dit en wees het beroep af wegens niet-ontvankelijkheid.
De uitspraak is gewezen door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad op 9 januari 2007.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens tijdige kennisgeving van het arrest.