ECLI:NL:HR:2006:AY6710
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J.M. Corstens
- A.J.A. van Dorst
- J.W. Ilsink
- W.M.E. Thomassen
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vermindert straf wegens overschrijding redelijke termijn en bevestigt geen inkeer bij feitelijke leiding
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin verdachte was veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk onjuist indienen van belastingaangiften. Het hof had de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf, een taakstraf en een geldboete.
De Hoge Raad oordeelde dat de inkeerbepaling van artikel 69, derde lid, van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen (AWR) niet van toepassing is op degene die feitelijke leiding geeft aan de strafbare gedraging, tenzij bijzondere omstandigheden aanwezig zijn. In deze zaak was vastgesteld dat verdachte niet op de hoogte was van de correctieaangiften en deze ook niet had bevorderd, waardoor geen beroep op inkeer kon worden gedaan.
Daarnaast stelde de Hoge Raad vast dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep werd gecompenseerd door voortvarende behandeling, terwijl de zaak bijna twee jaar en vier maanden na het instellen van het hoger beroep werd afgedaan. Daarom werd de straf verminderd.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof voor zover het de duur van de taakstraf en de vervangende hechtenis betrof, stelde deze lager vast en verwierp het beroep voor het overige. Hiermee werd een belangrijke verduidelijking gegeven over de toepassing van de inkeerbepaling en de beoordeling van de redelijke termijn in strafzaken.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de taakstraf en vervangende hechtenis wegens overschrijding van de redelijke termijn en bevestigt dat feitelijke leidinggevenden niet kunnen profiteren van de inkeerbepaling.