ECLI:NL:HR:2006:AX8639
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.P. Balkema
- J. de Hullu
- Rechtspraak.nl
Verjaring bij voortdurende overtreding leerplichtwet en beoordeling door Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of de overtreding van artikel 2.1 van de Leerplichtwet 1969, die een voortdurende verplichting inhoudt, als een voortdurend delict kan worden beschouwd en hoe de verjaringstermijn daarop van toepassing is.
De tenlastelegging betrof een periode van 1 november 2001 tot 1 augustus 2002 waarin sprake zou zijn geweest van geregeld schoolverzuim. Het hof had geoordeeld dat deze periode als één aaneengesloten verzuim kon worden gezien, waardoor de verjaringstermijn pas begint te lopen nadat deze periode is geëindigd.
De Hoge Raad bevestigde dit standpunt en stelde dat de verjaringstermijn pas start op de dag na 1 augustus 2002. Hierdoor was er geen reden om de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren als de Hoge Raad vóór 2 augustus 2006 uitspraak doet. Het cassatieberoep van de verdachte werd verworpen omdat de middelen niet tot cassatie konden leiden en er geen ambtshalve vernietiginggrond was.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen; de verjaringstermijn begint na het einde van de schoolverzuimperiode.