ECLI:NL:HR:2006:AW4060

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 april 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
40407
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:88 AwbArtikel V Wet van 29 oktober 1998
Verwijzingen
6 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing overgangsrecht herziening fiscale uitspraken vóór 1999

Belanghebbende verzocht om herziening van uitspraken van het gerechtshof die vóór de inwerkingtreding van de Wet van 29 oktober 1998 (per 1 september 1999) zijn gedaan. Het hof verklaarde dit verzoek niet-ontvankelijk omdat het overgangsrecht volgens het hof alleen herziening toestond van uitspraken na die datum.

De Hoge Raad beoordeelde dit oordeel en stelde vast dat het overgangsrecht, zoals neergelegd in artikel V van de Wet en de toelichting in de parlementaire stukken, niet beperkt is tot uitspraken na de inwerkingtreding. De wetgever beoogde dat het nieuwe procesrecht, inclusief de mogelijkheid tot herziening, van toepassing is op alle na de inwerkingtreding ingediende verzoeken, ongeacht de datum van de uitspraak.

Daarom oordeelde de Hoge Raad dat artikel 8:88 Awb Pro met onmiddellijke werking geldt voor alle verzoeken tot herziening, ook van uitspraken vóór 1 september 1999. Het hof had ten onrechte het verzoek niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en verwees de zaak terug voor verdere behandeling.

Verder werd de Staatssecretaris van Financiën veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten in cassatie en het griffierecht van €87 aan belanghebbende. De kosten van het geding bij het hof worden door het verwijzingshof beoordeeld.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt gegrond verklaard, het arrest van het hof vernietigd en de zaak verwezen voor verdere behandeling.

Uitspraak

Nr. 40.407
28 april 2006
RS
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 9 december 2003, nr. BK-03/01660, betreffende het verzoek tot herziening van diens uitspraken van 13 maart 1998, nrs. BK-95/04334 tot en met BK-95/04337.
1. Geding voor het Hof
Het Hof heeft het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het gaat hier om een verzoek van 4 juni 2003 tot herziening van uitspraken van het Hof welke zijn gedaan vóór de inwerkingtreding - op 1 september 1999 - van de Wet van 29 oktober 1998 tot herziening van het fiscale procesrecht (Stb. 621; hierna: de Wet). Bij de Wet is onder meer artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van overeenkomstige toepassing verklaard op het beroep bij het gerechtshof, als bedoeld in afdeling 2 van hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (tekst van 1 september 1999 tot en met 31 december 2004). Het Hof heeft geoordeeld dat ingevolge het overgangsrecht van de Wet slechts voor herziening vatbaar zijn de uitspraken van een gerechtshof die na de inwerkingtreding van de Wet zijn gedaan.
3.2. Op grond van dit oordeel heeft het Hof belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek. Het beroep in cassatie is gericht tegen deze niet-ontvankelijkverklaring.
3.3. Artikel V van de Wet luidt als volgt:
Ten aanzien van de behandeling van bezwaar, beroep of beroep in cassatie dat voor de datum van inwerkingtreding van deze wet is gemaakt onderscheidenlijk is ingesteld, blijft het recht zoals het gold vóór dat tijdstip van toepassing.
In deze bepaling noch in enige andere bepaling van de Wet noch elders is overgangsrecht opgenomen met betrekking tot het buitengewone rechtsmiddel van herziening in belastingzaken.
3.4. In het Verslag van de vaste commissie voor Justitie inzake het wetsvoorstel 25 175 (Herziening van het fiscale procesrecht) is de volgende vraag opgenomen (Kamerstukken II 1996/97, 25 175, nr. 4, blz. 25):
De commissie vraagt verder of herziening mogelijk is van een uitspraak die na invoering van het wetsvoorstel wordt gedaan op basis van het oude procesrecht.
In de Nota naar aanleiding van het verslag is daarop als volgt geantwoord (Kamerstukken II 1997/98, 25 175, nr. 5, blz. 38):
Een uitspraak van het gerechtshof of van de Hoge Raad op een beroep (in cassatie), ingesteld vóór het tijdstip van inwerkingtreding, maar gedaan na dat tijdstip, is vatbaar voor herziening. De strekking van het in artikel V neergelegde overgangsrecht is dat het nieuwe procesrecht van toepassing is op rechtsmiddelen waarvan op of na de datum van inwerkingtreding gebruik wordt gemaakt.
3.5. De in het Verslag opgenomen vraag betrof niet een verzoek tot herziening van een uitspraak die vóór de inwerkingtreding van de Wet is gedaan. Uit het op die vraag gegeven antwoord kan dan ook, anders dan het Hof heeft gedaan, niet worden afgeleid dat naar het oordeel van de wetgever de datum waarop een gerechtshof een uitspraak heeft gedaan (vóór dan wel na de inwerkingtreding van de Wet) beslissend is voor het antwoord op de vraag of ter zake van die uitspraak een verzoek tot herziening kan worden gedaan. Uit de slotzin valt veeleer af te leiden dat naar de bedoeling van de wetgever het nieuwe procesrecht - met inbegrip van de mogelijkheid herziening te vragen - van toepassing zou zijn op alle na de datum van inwerkingtreding in te dienen verzoeken tot herziening.
3.6. Gelet op het hiervoor overwogene moet worden geoordeeld dat door de inwerkingtreding van de Wet artikel 8:88 Awb Pro met onmiddellijke werking van overeenkomstige toepassing is geworden op het beroep bij het gerechtshof, zodat herziening ook kan worden verzocht met betrekking tot uitspraken van een gerechtshof die vóór de inwerkingtreding van de Wet zijn gedaan. Het Hof heeft derhalve ten onrechte artikel 8:88 Awb Pro niet van toepassing geacht met betrekking tot de uitspraak waarvan herziening werd verzocht. Het middel slaagt mitsdien. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 87, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.G. Pos als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, P.J. van Amersfoort, C.J.J. van Maanen en C.A. Streefkerk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2006.