ECLI:NL:HR:2006:AV0312
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- G.J.M. Corstens
- J.W. Ilsink
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ontvankelijkheid OM ondanks niet-naleving hoorrecht bij zedendelict gepleegd vóór wetswijziging
In deze zaak stond centraal of het Openbaar Ministerie (OM) ontvankelijk was in de vervolging van verdachte voor een zedendelict gepleegd op 29 juli 2002, vóór de inwerkingtreding van de Wet partiële wijziging zedelijkheidswetgeving op 1 oktober 2002. Deze wetswijziging verviel het klachtvereiste voor bepaalde zedendelicten en introduceerde het hoorrecht van het slachtoffer ex art. 167a Sv.
Het hof had geoordeeld dat art. 167a Sv van toepassing was en het verweer van de verdediging dat het OM niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens niet-naleving van dit hoorrecht verworpen. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat het hoorrecht niet met terugwerkende kracht geldt voor feiten gepleegd vóór 1 oktober 2002. Het klachtvereiste bleef voor die feiten van toepassing, en uit de stukken bleek dat een klacht was ingediend door de wettelijke vertegenwoordiger van het slachtoffer.
De Hoge Raad benadrukt dat het niet voldoen aan het hoorrecht ex art. 167a Sv geen rechtsgevolg heeft in de zin van niet-ontvankelijkheid van het OM. De wetsgeschiedenis toont dat het hoorrecht een extra waarborg is ter bescherming van het slachtoffer, maar dat het OM de vervolgingsbeslissing zorgvuldig moet nemen, waarbij de wens van het slachtoffer een belangrijke maar niet doorslaggevende rol speelt.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling van verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf wegens ontuchtige handelingen met een minderjarige tussen 12 en 16 jaar.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de ontvankelijkheid van het OM ondanks het niet horen van het slachtoffer conform art. 167a Sv.