ECLI:NL:HR:2006:AU2287
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- P. Lourens
- J.W. van den Berge
- A.R. Leemreis
- Rechtspraak.nl
Beoordeling kapitaalsbelastingvrijstelling bij inbreng liquide middelen in zelfstandig bedrijfsonderdeel
Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag kapitaalsbelasting opgelegd na inbreng van deelnemingen en een lening van €1,8 miljard in contanten. Deze inbreng werd door de Inspecteur gehandhaafd en het Hof verklaarde het beroep ongegrond.
In cassatie stond centraal of de inbreng als een zelfstandig bedrijfsonderdeel kon worden aangemerkt en daarmee vrijgesteld van kapitaalsbelasting. Het Hof oordeelde dat de contante lening bestemd was voor toekomstige uitbreiding en reorganisatie van de zelfstandige X-groep, en daarom niet als zelfstandig onderdeel kon worden gezien.
De Hoge Raad verwierp het middel dat stelde dat de heffing in strijd was met artikel 56 EG Pro, omdat de nationale regeling niet discrimineert op nationaliteit. Ook het betoog dat de bedrijfsfusiefaciliteit van toepassing zou zijn, werd afgewezen vanwege onvoldoende motivering en feitelijke waardering. Een middel over de voorwaarde van uitreiking van aandelen werd wel gegrond verklaard, maar kon niet tot cassatie leiden omdat aan andere voorwaarden niet was voldaan.
De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag kapitaalsbelasting blijft gehandhaafd.