Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2005:AT4534

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 juli 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C04/107HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt toewijzing vordering na hoger beroep in civiele zaak

In deze civiele zaak vorderde verweerster betaling van een bedrag van ƒ 99.633,75 vermeerderd met rente van eiser. De rechtbank wees de vordering af, waarna verweerster hoger beroep instelde en haar vordering verminderde tot ƒ 60.000,-- met gewijzigde grondslag. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en wees de gewijzigde vordering alsnog toe.

Eiser stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof. Verweerster verscheen niet in cassatie en verstek werd verleend. De Advocaat-Generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen. De Hoge Raad volgde dit advies en verwierp het beroep van eiser zonder nadere motivering, omdat de klachten niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling leiden.

De Hoge Raad veroordeelde eiser in de kosten van het cassatiegeding, die aan de zijde van verweerster nihil werden begroot. Hiermee werd het arrest van het hof definitief bevestigd en de vordering van verweerster toegewezen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het hof dat de vordering toewijst.

Uitspraak

8 juli 2005
Eerste Kamer
Nr. C04/107HR
JMH/RM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. J.A. Meijer,
t e g e n
[Verweerster],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - heeft bij exploot van 20 april 2000 eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - gedagvaard voor de rechtbank te Middelburg en gevorderd bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande verzet of andere voorziening, [eiser] te veroordelen om aan haar tegen bewijs van kwijting te betalen een bedrag van ƒ 99.633,75, vermeerderd met de overeengekomen rente van 6% per jaar over een bedrag van ƒ 50.000,-- sedert 1 januari 2000 tot aan de dag der algehele voldoening.
[Eiser] heeft de vordering bestreden.
Vervolgens heeft [verweerster] haar vordering vermeerderd met een totaalbedrag van ƒ 411,18, zijnde de kosten van het door haar op 17 april 2000 gelegde conservatoire beslag op de goederen van [eiser].
De rechtbank heeft bij vonnis van 30 mei 2001 de vordering afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft [verweerster] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Daarbij heeft zij haar vordering in hoofdsom verminderd tot een bedrag van ƒ 60.000,-- en de grondslag van haar eis gewijzigd.
Bij tussenarrest van 20 september 2002 heeft het hof de zaak naar de rol verwezen voor akte aan de zijde van [eiser] en bij eindarrest van 10 oktober 2003 het vonnis van de rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de in hoger beroep gewijzigde vordering van [verweerster] alsnog toegewezen.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de niet verschenen [verweerster] is verstek verleend.
De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 9 mei 2005 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren H.A.M. Aaftink, als voorzitter, A.M.J. van Buchem-Spapens en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 8 juli 2005.