ECLI:NL:PHR:2005:AT4534
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verdeling verkoopopbrengst woning en afwikkeling vennootschap onder firma
Partijen, die van 1980 tot 1997 samenwoonden en ieder voor de helft eigenaar waren van een woning, verkochten deze in 1987. De opbrengst na hypotheekaflossing bedroeg 120.000 gulden. Partijen exploiteerden samen een restaurant en pannenkoekenhuis en richtten in 1994 een vennootschap onder firma (v.o.f.) op. Na ontbinding van de v.o.f. in 1999 ontstond discussie over de verdeling van de verkoopopbrengst van de woning.
Verweerster vorderde betaling van een bedrag dat zij toekwam als haar aandeel in de verkoopopbrengst. Eiser betwistte dat de opbrengst onverdeeld was gebleven en stelde dat deze was verrekend bij de verdeling van de v.o.f., onder meer doordat het bedrijfspand op naam van verweerster was gesteld. De rechtbank wees de vordering af, maar het hof stelde vast dat de opbrengst aanvankelijk niet was verdeeld en wees de vordering toe, waarbij het beroep op verjaring werd verworpen.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht had geoordeeld dat de verkoopopbrengst niet was verdeeld vóór de oprichting van de v.o.f. en dat het hof ook terecht had vastgesteld dat uit de stukken niet bleek dat de opbrengst bij de verdeling van de v.o.f. was verrekend. Het beroep op verjaring werd afgewezen omdat de vordering tot verdeling van een gemeenschap niet aan verjaring onderhevig is. Het bewijsaanbod van eiser werd terecht niet-ontvankelijk verklaard vanwege onvoldoende specificatie.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de verkoopopbrengst van de woning niet is verdeeld bij de oprichting of afwikkeling van de v.o.f. en wijst het beroep op verjaring af.