ECLI:NL:HR:2005:AR3260
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- G.J.M. Corstens
- J.P. Balkema
- A.J.A. van Dorst
- J.W. Ilsink
- Rechtspraak.nl
Veroordeling medeplegen poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving met strafvermindering wegens termijnoverschrijding
De Hoge Raad heeft op 15 maart 2005 het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 12 februari 2003 deels vernietigd. De zaak betrof een verdachte die samen met zijn broer werd veroordeeld voor medeplegen van poging tot het wederrechtelijk beroven van hun zus van haar vrijheid.
De verdediging voerde onder meer aan dat getuigen die cruciaal waren voor de veroordeling niet ter terechtzitting waren gehoord, wat een schending van artikel 6 EVRM Pro zou betekenen. De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof terecht had geoordeeld dat het niet ambtshalve hoefde op te roepen van deze getuigen, mede omdat de verdediging zelf geen verzoek daartoe had gedaan en de verklaringen niet de enige bewijsmiddelen waren.
Feiten zoals het achtervolgen van het slachtoffer, het vastgrijpen ondanks haar protesten en het feit dat het slachtoffer in paniek raakte, werden door het hof als begin van uitvoering van het misdrijf beschouwd. De Hoge Raad vond deze motivering toereikend en verwierp het middel dat dit oordeel aanvocht.
Wel constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor de cassatieprocedure was overschreden, wat strafvermindering rechtvaardigde. Daarom werd de opgelegde gevangenisstraf verminderd met zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
De overige middelen werden verworpen en het arrest werd in zoverre vernietigd dat de straf werd verminderd, met verwijzing naar het hof voor verdere afdoening.
Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd met zes maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn, bevestigend de veroordeling voor medeplegen poging tot vrijheidsberoving.