ECLI:NL:HR:2004:AR4005

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 oktober 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
40278
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • C.B. Bavinck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 62 Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 57 Wet op de inkomstenbelasting 1964
Verwijzingen
2 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing artikel 62 Wet inkomstenbelasting 1964 bij binnenlandse en buitenlandse belastingplicht

Belanghebbende kreeg voor het jaar 1998 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd over een belastbaar inkomen van ƒ 1.721.885, waarvan het grootste deel werd belast volgens artikel 57 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur de aanslag. Belanghebbende ging in beroep bij het Hof, dat het beroep ongegrond verklaarde.

Belanghebbende stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad tegen de uitspraak van het Hof. Het geschil betrof de vraag of de Inspecteur voor het belastingjaar 1998 terecht twee aanslagen kon opleggen, één voor de binnenlandse belastingplicht en één voor de buitenlandse belastingplicht, overeenkomstig artikel 62 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964.

De Hoge Raad oordeelde dat het Hof terecht had geoordeeld dat de Inspecteur bevoegd was om twee aanslagen op te leggen. Het middel van belanghebbende faalde en het beroep werd ongegrond verklaard. Er werden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd.

Deze uitspraak verduidelijkt de toepassing van artikel 62 lid 1 tweede Pro volzin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals gewijzigd in 1998, en bevestigt de rechtmatigheid van het opleggen van meerdere aanslagen bij verschillende belastingplichtperiodes binnen één jaar.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de Inspecteur mag twee aanslagen opleggen voor binnenlandse en buitenlandse belastingplicht over 1998.

Uitspraak

Nr. 40.278
15 oktober 2004
WM
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (Portugal) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 17 september 2003, nr. 02/03656, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1998 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 1.721.885, waarvan een bedrag van ƒ 1.657.877 belast naar het tarief van artikel 57 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel
Het middel richt zich tegen het oordeel van het Hof dat de Inspecteur over het aan de orde zijnde belastingjaar 1998 overeenkomstig het toen geldende artikel 62 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964 twee aanslagen mocht opleggen, één over de periode van binnenlandse belastingplicht en één over de periode van buitenlandse belastingplicht. Het middel faalt omdat het oordeel van het Hof (rechtsoverwegingen 4.1 tot en met 4.1.2) juist is.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2004.