ECLI:NL:PHR:2006:AV1261
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt Nederlandse woonplaats voor belastingheffing ondanks verblijf op Curaçao
De zaak betreft een geschil over de fiscale woonplaats van de vader van belanghebbende in de periode van 24 december 1996 tot 1 april 1998. De vader van belanghebbende verbleef in die periode deels op Curaçao en deels in Nederland, waarbij hij onder meer een woning in Nederland aanhield die hij en zijn echtgenote ten allen tijde konden betrekken.
De Inspecteur stelde dat de vader van belanghebbende gedurende deze periode inwoner van Nederland bleef, terwijl belanghebbende betoogde dat hij op Curaçao woonde en de schenking in 1998 niet in 2002 had plaatsgevonden. Het Gerechtshof 's-Gravenhage oordeelde dat de vader van belanghebbende een duurzaam tehuis in Nederland had en dat zijn persoonlijke en economische betrekkingen het nauwst met Nederland verbonden waren.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp de middelen van cassatie die stelden dat het Hof een onjuiste maatstaf had gehanteerd bij de beoordeling van het duurzaam tehuis en de woonplaats. De Hoge Raad benadrukte dat het aanhouden van een woning in Nederland, het onderhouden van sociale en economische banden, en het feit dat de woning permanent ter beschikking stond, doorslaggevend waren.
Daarnaast werd geoordeeld dat het bewijsaanbod van belanghebbende om aanvullende documenten te overleggen terecht was gepasseerd omdat het Hof reeds aannemelijk achtte dat de vader van belanghebbende ook inwoner van de Nederlandse Antillen was geweest. De aanslag in het recht van schenking werd daarmee bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de vader van belanghebbende in de periode 1996-1998 een duurzaam tehuis in Nederland had en dat de aanslag in het recht van schenking terecht is opgelegd.