ECLI:NL:HR:2004:AP1513
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.L.M. Urlings
- J.P. Balkema
- Rechtspraak.nl
Vermindering ontnemingsbedrag wegens overschrijding redelijke termijn in hoger beroep
In deze zaak heeft de Rechtbank aan betrokkene een betalingsverplichting opgelegd tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Betrokkene stelde hoger beroep in, waarna de behandeling door het hof ruim twee jaar na de eerste aanleg plaatsvond. Het hof legde een bedrag van €34.033,-- op, subsidiair 220 dagen hechtenis.
Betrokkene stelde cassatie in tegen het hofarrest, stellende dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro was overschreden. De Hoge Raad overweegt dat niet het tijdsverloop tussen eerste aanleg en hoger beroep relevant is, maar de termijn tussen het instellen van het hoger beroep en de einduitspraak. Deze termijn was langer dan twee jaar zonder bijzondere omstandigheden die dit rechtvaardigen.
De Hoge Raad vernietigt het hofarrest voor zover vervangende hechtenis is opgelegd en vermindert het te betalen bedrag tot €32.000,--. Het beroep wordt voor het overige verworpen. De zaak wordt niet verwezen wegens het verzuim van het hof om te beslissen over het verweer van overschrijding van de redelijke termijn.
Uitkomst: Het ontnemingsbedrag wordt verminderd tot €32.000,-- wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.