ECLI:NL:HR:2004:AO1453

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 januari 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
1397
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.G. Pos
  • J.C. van Oven
  • C.J.J. van Maanen
  • A. Hammerstein
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 lid 1 OnteigeningswetArt. 20 lid 2 OnteigeningswetArt. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt beroep in cassatie tegen vervroegde onteigening gemeente 's-Gravenhage

De gemeente 's-Gravenhage heeft bij de rechtbank gevorderd om vervroegd de onteigening van meerdere percelen, waarvan eiser eigenaar is, uit te spreken ten behoeve van ruimtelijke ontwikkeling en volkshuisvesting. De rechtbank heeft dit verzoek op 28 mei 2003 toegewezen, een voorschot op schadeloosstelling vastgesteld en deskundigen benoemd.

Eiser, woonachtig in Venezuela, heeft tegen dit vonnis beroep in cassatie ingesteld. De gemeente heeft verweer gevoerd en het beroep bestreden. Advocaten van beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht. De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.

De Hoge Raad oordeelt dat het middel niet tot cassatie kan leiden en dat nadere motivering niet nodig is omdat het middel geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevat. Het beroep wordt verworpen en eiser wordt veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

Nr. 1397
30 januari 2004
Za
gewezen in de zaak van
[eiser],
wonende te Venezuela, [woonplaats],
eiser tot cassatie,
advocaat: Mr. J.P. Heering,
tegen
de gemeente 's-Gravenhage,
zetelende te 's-Gravenhage,
verweerster in cassatie,
advocaat: Mr. J.A.M.A. Sluysmans.
1. Geding in feitelijke instantie
1.1. De gemeente 's-Gravenhage (hierna: de Gemeente) heeft bij exploit van 10 maart 2003 mr. K.G.W. van Oven in zijn hoedanigheid van derde in de zin van artikel 20, lid 1, Onteigeningswet doen dagvaarden voor de Rechtbank te 's-Gravenhage en in het belang van de ruimtelijke ontwikkeling en van de volkshuisvesting gevorderd vervroegd uit te spreken de onteigening ten name van de Gemeente van de percelen, kadastraal bekend gemeente 's-Gravenhage, sectie [...], nummers [001], [002], [003], [004] en [005], plaatselijk bekend als [a-straat 1-2], [3-4], [5-6], [7-8] en [9-10] te [plaats], van welke onroerende zaken eiser tot cassatie (hierna: [eiser]) is aangewezen als eigenaar, en bepaling van het bedrag van de schadeloosstelling.
1.2. Bij vonnis van 28 mei 2003 heeft de Rechtbank de gevorderde onteigening bij vervroeging uitgesproken, het voorschot op de schadeloosstelling voor [eiser] bepaald, de som van de door de Gemeente voor [eiser] te stellen zekerheid bepaald en drie deskundigen en een rechter-commissaris benoemd.
2. Geding in cassatie
2.1. [Eiser], die het geding op de voet van artikel 20, lid 2, Onteigeningswet heeft overgenomen van mr. K.G.W van Oven, heeft tegen het vonnis beroep in cassatie ingesteld.
2.2. De Gemeente heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2.3. Partijen hebben vervolgens hun standpunten schriftelijk doen toelichten door hun voornoemde advocaten. De Gemeente heeft gedupliceerd.
2.4. De Advocaat-Generaal Th. Groeneveld heeft op 12 december 2003 geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad
verwerpt het beroep,
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie tot op deze uitspraak aan de zijde van de Gemeente begroot op € 316,34 aan verschotten en € 1365 voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.G Pos als voorzitter, en de raadsheren J.C. van Oven en C.J.J. van Maanen, en door de raadsheer A. Hammerstein uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 januari 2004.