ECLI:NL:HR:2003:AK8446
Hoge Raad
- Cassatie
- H.A.M. Aaftink
- D.H. Beukenhorst
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot verlaging levensonderhoudsuitkering afgewezen door Hoge Raad
De man heeft bij de rechtbank te Alkmaar een verzoek ingediend tot verlaging van de levensonderhoudsuitkering aan de vrouw, vastgesteld bij eerdere beschikkingen van de rechtbank Haarlem en het gerechtshof Amsterdam. Hij verzocht de uitkering te verlagen tot ƒ 145,-- per maand voor de periode van 10 maart 1998 tot 1 januari 1999 en tot ƒ 525,-- per maand vanaf 1 januari 1999, of een ander door de rechtbank vast te stellen bedrag.
De vrouw heeft dit verzoek bestreden. De rechtbank wees het verzoek bij beschikking van 4 april 2001 af, zowel voor zover het betrekking had op de beschikking van de rechtbank Haarlem als die van het gerechtshof Amsterdam. De man stelde hiertegen hoger beroep in bij het gerechtshof Amsterdam, dat bij beschikking van 5 december 2002 de eerdere beschikking bekrachtigde.
De man stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De Advocaat-Generaal adviseerde het beroep te verwerpen. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten in het cassatiemiddel niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren.
De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt daarmee de afwijzing van het verzoek tot verlaging van de levensonderhoudsuitkering.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt verworpen en het verzoek tot verlaging van de levensonderhoudsuitkering afgewezen.