ECLI:NL:HR:2002:AD8198

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 maart 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R01/143HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • C.H.M. Jansen
  • A.G. Pos
  • P.C. Kop
  • A. Hammerstein
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 lid 2 letter a Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen
Verwijzingen
2 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging machtiging voortgezet verblijf psychiatrisch ziekenhuis wegens onvoldoende motivering

De officier van justitie verzocht de rechtbank in 's-Hertogenbosch om een machtiging tot voortgezet verblijf van verzoeker in een psychiatrisch ziekenhuis, gebaseerd op een geneeskundige verklaring en behandelplannen. De rechtbank hield een verhoor met verzoeker, zijn advocaat, de psychiater en een verpleegkundige en verleende vervolgens de machtiging voor één jaar.

Verzoeker stelde cassatie in tegen deze beschikking, waarbij de Hoge Raad uitsluitend beoordeelde of de rechtbank voldoende had gemotiveerd waarom de stoornis van verzoeker, een chronische schizofrenie met cognitief en sociaal verval, ook na de geldigheidsduur van de lopende machtiging nog gevaar zou veroorzaken. De rechtbank had volstaan met een standaardmotivering volgens de wet zonder concreet in te gaan op het verweer van verzoeker.

De Hoge Raad oordeelde dat hierdoor niet duidelijk was op welke gronden het verweer was verworpen en vernietigde de beschikking. De zaak werd terugverwezen naar de rechtbank voor verdere behandeling en beslissing met een duidelijke motivering.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking tot machtiging voortgezet verblijf wegens onvoldoende motivering en verwijst de zaak terug naar de rechtbank.

Uitspraak

1 maart 2002
Eerste Kamer
Rek.nr. R01/143HR
AS
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[Verzoeker], wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. G.E.M. Later.
1. Het geding in feitelijke instantie
De Officier van Justitie in het arrondissement 's-Hertogenbosch heeft op 8 oktober 2001 onder overlegging van een op 5 oktober 2001 ondertekende geneeskundige verklaring met een behandelingsplan en een vervolgbehandelingsplan, een vordering ingediend bij de Rechtbank aldaar tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf van verzoeker tot cassatie - verder te noemen: de verzoeker - in een psychiatrisch ziekenhuis.
Nadat de Rechtbank verzoeker, zijn advocaat, de psychiater V. Cats en de verpleegkundige H. Vos op 2 november 2001 had gehoord, heeft zij bij beschikking van dezelfde datum de machtiging verleend voor de duur van één jaar, ingaande op 2 november 2001 en eindigende op 2 november 2002.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van de Rechtbank heeft verzoeker beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan de-ze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar het Hof van het ressort.
3. Beoordeling van het middel
3.1 De onderhavige zaak betreft een vordering van de officier van justitie tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf van verzoeker in een psychiatrisch ziekenhuis. Naar aanleiding van deze vordering heeft de Rechtbank in het ziekenhuis waarin verzoeker verbleef een verhoor gehouden en aan het eind daarvan onmiddellijk uitspraak gedaan en de gevorderde machtiging voor een jaar verleend. Hiertegen richt zich het cassatieberoep. Daarbij is uitsluitend aan de orde de vraag of en in hoeverre de stoornis van de geestvermogens van verzoeker - te weten een "chronische schizofrenie, paranoïde vorm, met verval van cognitief én sociaal functioneren" - hem ook na verloop van de geldigheidsduur van de lopende machtiging nog gevaar zal doen veroorzaken.
3.2 Dienaangaande was in de geneeskundige verklaring die bij de vordering aan de Rechtbank was overgelegd, kort samengevat en voor zover thans van belang, tot uitdrukking gebracht dat gevreesd moest worden dat verzoeker zichzelf ernstig zou verwaarlozen en voorts zijn ex-echtgenote zou lastigvallen.
3.3 Bij voormeld verhoor hebben de geneesheer-directeur en een verpleegkundige van het ziekenhuis waarin verzoeker verbleef een en ander toegelicht en is daartegen door verzoeker en zijn raadsvrouw concreet verweer gevoerd.
3.4 De Rechtbank heeft, zonder hierop in te gaan, volstaan met een standaardmotivering overeenkomstig de tekst van de wet (art. 15 lid Pro 2, letter a, van de Bopz) zodat in dit geval niet duidelijk is, wat de Rechtbank bij de verwerping van het verweer van verzoeker voor ogen heeft gestaan en op welke grond zij dat verweer heeft verworpen. Het middel slaagt derhalve.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van de Rechtbank te 's-Hertogenbosch van 2 november 2001;
verwijst het geding terug naar die Rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren C.H.M. Jansen, als voorzitter, A.G. Pos en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 1 maart 2002.