ECLI:NL:PHR:2001:ZD3018
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toetsing van Waterleidingwet en Reorganisatieplan aan EG-recht en EVRM in lijstprocedure over waterdistributiemonopolie
De zaak betreft een geschil tussen NV Nutsbedrijven Maastricht (NM) en Waterleiding Maatschappij Limburg (WML) over de overgang van burgerrechtelijke rechten en verplichtingen in het kader van de Waterleidingwet (WLW) en het Reorganisatieplan Limburg. NM betoogt dat het Reorganisatieplan en de WLW in strijd zijn met diverse bepalingen van het EG-Verdrag, waaronder art. 90, 30, 52 en 86, en dat zij zich op art. 6 EVRM Pro kan beroepen.
De Hoge Raad bespreekt de ontvankelijkheid van het cassatieberoep en oordeelt dat dit niet wordt belemmerd door een te late inschrijving van de dagvaarding of door het feit dat NM zich ook op eerdere tussenvonnissen richt. Vervolgens wordt de vraag behandeld of NM als privaatrechtelijk lichaam met een publieke taak art. 6 EVRM Pro kan inroepen; de Hoge Raad bevestigt dit en wijst het betoog van WML af dat de intentieverklaring bij verzelfstandiging dit zou verhinderen.
De Hoge Raad analyseert de EG-rechtelijke bepalingen en stelt dat de toetsing aan het EG-recht in deze lijstprocedure beperkt moet blijven tot de concrete overgang van rechten en plichten van NM op WML, en niet tot een abstracte toetsing van de WLW of het Reorganisatieplan. De rechtbank heeft geoordeeld dat geen sprake is van een schending van het EG-recht, met name geen discriminatie of belemmering van het handelsverkeer. De Hoge Raad bevestigt dat exclusieve rechten en monopolies onder bepaalde voorwaarden zijn toegestaan, mits zij niet leiden tot misbruik of onrechtmatige belemmering van het handelsverkeer.
De Hoge Raad concludeert dat NM's cassatieberoep ongegrond is en adviseert het beroep te verwerpen. Het incidentele beroep van WML komt niet aan de orde omdat het voorwaardelijk is ingesteld.
Uitkomst: Het cassatieberoep van NM wordt verworpen en de overgang van het waterdistributiemonopolie op WML wordt bevestigd als rechtmatig.