ECLI:NL:HR:2001:AD4389
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- G.J.M. Corstens
- A.M.M. Orie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt vrijspraak en veroordeelt medeplegen invoer cocaïne
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, waarin hij werd veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf voor medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het verbod op invoer van cocaïne. Het hof sprak verdachte vrij van poging tot doodslag.
Het hof stelde vast dat verdachte samen met een medeverdachte de aankoop van 3,5 kilo cocaïne financierde, contact legde met een derde die de cocaïne zou transporteren, en een retourticket voor haar en haar kind kocht. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht het medeplegen heeft bewezen en dat het niet nodig was om nader te motiveren waarom het verweer dat sprake zou zijn van medeplichtigheid werd verworpen.
Verder corrigeerde de Hoge Raad een kennelijke verschrijving in de wettelijke kwalificatie van het feit, waarbij artikel 3 Opiumwet Pro werd vervangen door artikel 2 Opiumwet Pro. Ten slotte verwierp de Hoge Raad het middel dat stelde dat de redelijke termijn in cassatie was overschreden, omdat de vertraging beperkt was en geen bijzondere omstandigheden waren aangevoerd. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling tot vijf jaar gevangenisstraf voor medeplegen van invoer van cocaïne.