ECLI:NL:HR:2001:AB2751
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H.J. Mijnssen
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- H.A.M. Aaftink
- O. de Savornin Lohman
- A. Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geldigheid concurrentiebeding met beperkingen in arbeidsovereenkomst
In deze zaak staat de geldigheid van een concurrentiebeding tussen OBZ en [verweerder] centraal. [Verweerder] vordert primair vernietiging van het concurrentiebeding met terugwerkende kracht, subsidiair gedeeltelijke vernietiging, en daarnaast een vergoeding gedurende de geldingsduur van het beding. OBZ vordert in reconventie betaling van een boete wegens overtreding van het beding.
De Kantonrechter heeft in tussenvonnissen het concurrentiebeding gedeeltelijk teniet gedaan vanaf 1 mei 1995, maar verklaard dat het beding tot die datum geldig bleef met beperkingen conform eerdere rechterlijke uitspraken. Na bewijsvoering wees de Kantonrechter een eindvonnis waarin de reconventionele vordering van OBZ voor de periode 29 juli 1994 tot 12 januari 1995 werd afgewezen. De Rechtbank bekrachtigde dit vonnis in hoger beroep.
OBZ stelde beroep in cassatie tegen het vonnis van de Rechtbank, maar de Hoge Raad verwierp het beroep zonder nadere motivering, gelet op artikel 101a RO, en bevestigde daarmee de geldigheid van het concurrentiebeding binnen de door de lagere rechters gestelde grenzen. OBZ werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: Het cassatieberoep van OBZ wordt verworpen en het vonnis van de Rechtbank wordt bekrachtigd.