1 Deze naam wordt in de stukken ook geschreven als "[eiser]". Ik heb mij aangesloten bij de door het hof gebruikte spelling.
2 Ontleend aan rov. 1.2 - 1.4 van het in de appelprocedure gewezen tussenarrest van 14 december 2006. Uit rov. 1.1 van dat arrest blijkt dat het hof de in de eerste aanleg in rov. 1.1-1.8 van het eindvonnis van 26 januari 2005 vastgestelde feiten tot uitgangspunt heeft genomen.
3 [Eiser] zou samen met zijn vrouw, [betrokkene 5], betrokken zijn bij [B] B.V., zie alinea's 3.14 - 3.15 van de Antwoordakte na comparitie van de kant van [verweerder] en alinea 17 van de Akte uitlating producties van de kant van [eiser]. Gezien de identiciteit van de namen, betreft het hier de verweerster in cassatie in zaak nr. C07/00190HR ([C] B.V. c.s./[B] B.V.). In die zaak is op 27 maart jl. arrest gewezen. Er zijn geen relevante raakpunten met de onderhavige zaak.
4 Prod. 1 bij de inleidende dagvaarding.
5 Afkorting van Sierteelt Bemiddelings Centrum. Ten tijde van de transacties in kwestie was deze organisatie nog genaamd: Bloembollenbureau Cebeco (in het in cassatie bestreden arrest wordt de naam abusievelijk als Ceteco weergegeven).
6 Het eindarrest is van 19 april 2007. De cassatiedagvaarding is uitgebracht op 19 juli 2007.
7 HR 14 november 2008, NJ 2008, 588, rov. 3.5.4; HR 31 oktober 2008, RvdW 2008, 985, rov. 3.4; HR 27 juni 2008, NJ 2008, 476, rov. 3.4; HR 13 juni 2008, NJ 2008, 338, rov. 3.3.4; Asser Procesrecht/Veegens - Korthals Altes - Groen, 2005, nrs. 103, 121, 169; Ras-Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, 2004, nr. 40.
8 Zie bijvoorbeeld HR 19 oktober 2007, NJ 2007, 565, rov. 3.4 en 3.5.
9 Het kan ook voorkomen - en is geen zeldzaamheid - dat er wel van een gezamenlijke, voor de uitleg van het overeengekomene relevante (subjectieve) bedoeling van partijen blijkt, zie bijvoorbeeld HR 19 november 2004, JM 2005, 38 m.nt. Bos, rov. 3.4 en alinea's 13 en 14 van de conclusie voor die beslissing. In de onderhavige zaak was hiervan echter maar al te duidelijk geen sprake.
10 Zie bijvoorbeeld alinea's 10 - 13 van de conclusie voor HR 2 november 2001, rechtspraak.nl LJN AB2751 (Civiele Conclusies 2001, p. 93 - 94).
11 Ik merk op dat in alinea's 23 en 24 van de schriftelijke toelichting namens [eiser] weer andere argumenten te berde worden gebracht die de van diens kant verdedigde uitleg zouden ondersteunen. Nu deze in het middel niet zijn genoemd, kunnen zij strikt genomen bij de beoordeling van het cassatieberoep niet in aanmerking worden genomen. Ook hier betreft het intussen argumenten die het hof kennelijk niet als overtuigend heeft beoordeeld (het in alinea 23 van de schriftelijke toelichting aangewezen argument wordt in rov. 1.7 van het bestreden arrest expliciet verworpen); en die niet van dien aard zijn dat het gegeven oordeel nadere motivering behoefde om, in het licht van die argumenten, (voldoende) begrijpelijk te zijn.
12 Zie rov. 1.8.
13 De in alinea 3 onder viii hiervóór vermelde [betrokkene 4].
14 Het in alinea 3 onder vii hiervóór vermelde TCS.
15 Blijkens de in alinea 3 onder i vermelde feiten trad SBC toen op in opdracht van [eiser].
16 De rechter mag volgens mij, nadat hij heeft vastgesteld dat een procespartij een aanvankelijk door de rechter tot uitgangspunt genomen (primaire) stellingenreeks prijsgeeft, van die partij verlangen dat die met meer dan de gewoonlijke duidelijkheid en precisie aangeeft welk substraat er in het vervolg van het geding wél voor onderzoek en beoordeling in aanmerking moet komen. Aan min of meer in het vage gelaten beweringen kan bij zo'n achtergrond eerder op de grond van onvoldoende onderbouwing worden voorbijgegaan, dan wanneer die achtergrond er niet zou zijn.
17 Waarom dat precies het geval is, heeft het hof niet nogmaals specifiek aangegeven. Nu het hof eerder had geoordeeld dat er geen aanwijzingen bestonden waaruit verplichtingen van [verweerder] om zich voor het realiseren van de opbrengst van de bollen in te spannen vielen af te leiden, ligt in de rede om te denken dat het hof ook het onderhavige gegeven zo heeft beoordeeld: als een contra-indicatie voor de gedachte dat de overeenkomst [verweerder] met betrekking tot dit punt(je) tot initiatieven zou verplichten. Men zou het feit dat het hier om niet dadelijk als effectief aan te merken initiatieven ging, ook los daarvan overigens kunnen beoordelen als een reden waarom [eiser] zich niet aan zijn aansprakelijkheid jegens [verweerder] mocht onttrekken. De gedachtegang is dan ongeveer deze, dat [verweerder] zijn rechten uit de overeenkomst kon verspelen door een dusdanig stilzitten, dat kansen op een voorspoedige afloop werden verspeeld; maar dat "rechtsverwerking" door een stilzitten waar helemaal geen nadeel uit is voortgevloeid, hier niet in aanmerking komt.
18 Dat - zoals de klacht ook onderkent - het hier een aan de feitenrechter voorbehouden oordeel betreft kwam in voetnoot 7 hiervóór al ter sprake.
19 "De afspraken die tussen partijen zijn gemaakt...etc." kan men niet als voldoende geconcretiseerde aanwijzing van te bewijzen feiten aanmerken (of, zo men wil: de feitelijke rechter heeft de vrijheid om een aldus aangeduid gegeven niet als zodanig te beoordelen).
Men zou ten aanzien van het gegeven "de terugkoop van de Ferrari" misschien anders kunnen menen; maar aangezien het hof op dit punt kennelijk van de juistheid van [eiser]s feitelijke betoog is uitgegaan, kwam bewijs hier niet in aanmerking.
20Bijvoorbeeld HR 9 juli 2004, NJ 2005, 270 m.nt. DA, rov. 3.6; Asser Procesrecht/Veegens - Korthals Altes - Groen, 2005, nr. 172.
21 Ik heb dan vooral het oog op alinea's 3.27 en 4.22 van de Memorie van Antwoord.