ECLI:NL:HR:2001:AA9896
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H.J. Mijnssen
- W.H. Heemskerk
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- J.B. Fleers
- P.C. Kop
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Nederlandse kortgedingrechter bij arbitragebeding en toepassing EEX-Verdrag
In deze zaak stond centraal de vraag of de Nederlandse kortgedingrechter bevoegd was om kennis te nemen van vorderingen van Schothorst tegen Cogenius, ondanks een arbitragebeding dat geschillen aan arbitrage in Duitsland onderwerpt.
Schothorst had Cogenius gedagvaard in kort geding en vorderde onder meer betaling van ƒ 814.000,-- en teruggave van een bankgarantie. De President van de Rechtbank Utrecht wees de vorderingen toe, en het Hof Amsterdam bekrachtigde dit vonnis. Cogenius stelde cassatie in tegen het arrest van het Hof.
De Hoge Raad oordeelde dat het Hof ten onrechte niet had onderzocht of de Nederlandse rechter krachtens art. 24 EEX Pro bevoegd was om van de vordering kennis te nemen, met name omdat het arbitragebeding de bodemprocedure aan arbitrage onttrekt. De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak ter verdere behandeling naar het Hof te 's-Gravenhage.
De Hoge Raad legde tevens uit dat de bevoegdheid van de kortgedingrechter beperkt is tot voorlopige maatregelen conform art. 24 EEX Pro en dat de vordering tot betaling van ƒ 814.000,-- niet zonder meer een voorlopige maatregel is. Het Hof had onvoldoende gemotiveerd waarom het bevoegd was deze vordering te behandelen.
De kosten van het cassatiegeding werden aan Schothorst opgelegd.
Uitkomst: Het arrest van het Hof Amsterdam is vernietigd en de zaak is verwezen naar het Hof te 's-Gravenhage voor verdere behandeling.