ECLI:NL:HR:2000:AA6602
Hoge Raad
- Cassatie
- E. Korthals Altes
- G.J. Zuurmond
- D.H. Beukenhorst
- L. Monné
- C.B. Bavinck
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep in cassatie wegens niet-verstreken beslistermijn bezwaarschrift belastingaanslag
Belanghebbende kreeg een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd over 1994. Tegen deze aanslag diende hij op 12 januari 1998 een bezwaarschrift in. De Inspecteur bevestigde de ontvangst op 4 februari 1998 en gaf aan dat binnen zes weken een beslissing zou volgen, maar deze termijn werd niet gehaald. Later meldde de Inspecteur dat de termijn van zes weken per abuis was genoemd en dat de behandeling van het bezwaarschrift werd uitgesteld vanwege een lopend strafrechtelijk onderzoek.
Belanghebbende ging in beroep bij het Hof Amsterdam tegen de vermeende weigering tot uitspraak op het bezwaarschrift. Het Hof verleende uitstel van behandeling van het beroep tot 15 december 1998, met de verwachting dat de Inspecteur voor die datum alsnog zou beslissen op het bezwaarschrift.
In cassatie stelde de Hoge Raad vast dat het Hof ten onrechte had aangenomen dat sprake was van niet-tijdig beslissen binnen zes weken, terwijl de wettelijke termijn volgens de Algemene wet inzake rijksbelastingen een jaar bedraagt. Omdat die termijn nog niet was verstreken, was de beslissing van het Hof dat er een beslissing was gegeven op het bezwaarschrift niet juist. Gevolg was dat belanghebbende niet-ontvankelijk werd verklaard in zijn cassatieberoep, aangezien tegen een dergelijke beslissing geen cassatieberoep openstaat.
De Hoge Raad veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten en sprak het arrest uit op 25 juli 2000.
Uitkomst: Belanghebbende is niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep wegens het niet verstreken zijn van de wettelijke beslistermijn.