ECLI:NL:HR:2000:AA6315
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- F.W.G.M. van Brunschot
- D.G. van Vliet
- P.J. van Amersfoort
- P. Lourens
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt verzekeringsstatus voor kinderbijslag op grond van AOW-uitkering echtgenote
Belanghebbende, geboren in 1926, ontving vanaf 1991 een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Na het bereiken van de 65-jarige leeftijd van zijn echtgenote in 1994 wijzigde het Bestuur het pensioenbedrag en trok de toeslag in, terwijl de echtgenote een eigen AOW-pensioen kreeg toegekend.
Belanghebbende vroeg kinderbijslag aan voor zijn schoolgaande kind, maar het Bestuur wees dit af over het tijdvak van juli 1994 tot april 1995. De kern van het geschil was of belanghebbende vanaf 1 juli 1994 als verzekerde voor de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) kon worden beschouwd, gezien de gewijzigde pensioenuitkeringen.
De Centrale Raad oordeelde dat het AOW-pensioen van de echtgenote als een aan belanghebbende toekomende uitkering moet worden gezien, waardoor hij aan de verzekeringsvoorwaarden voldoet. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het beroep van het Bestuur, waarbij werd benadrukt dat het pensioen van de echtgenote afhankelijk blijft van het pensioenrecht van de echtgenoot en niet als een zelfstandig recht kan worden beschouwd.
De Hoge Raad achtte geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en wees het beroep in cassatie van het Bestuur af.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat belanghebbende vanaf 1 juli 1994 als verzekerde geldt voor de Algemene Kinderbijslagwet.