ECLI:NL:HR:2000:AA4061
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- De Moor
- Van Vliet
- Hammerstein
- Lourens
- Rechtspraak.nl
Vermogensrechtelijke kwalificatie van containerverhuur voor omzetbelasting
Belanghebbende verhuurt op een terrein loodsen en tien zeecontainers die in 1991 zijn aangeschaft en op het terrein geplaatst. De containers zijn voorzien van een elektriciteitsmeter en staan nabij een watertappunt. De huur bedraagt 200 gulden per maand per container.
Het Hof Amsterdam oordeelde dat de containers roerende zaken zijn omdat zij niet duurzaam met de grond verbonden zijn, mede omdat de aansluiting op stroom onvoldoende is voor een duurzame verbinding. De huur werd beschouwd als vergoeding voor het gebruik van roerende zaken, niet voor grondgebruik.
De Hoge Raad stelt dat het Hof een onjuiste rechtsopvatting hanteerde door te oordelen dat containers niet bestemd zijn om op dezelfde plaats te blijven zonder voldoende motivering over de kenbare bedoeling van belanghebbende. De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug naar het Hof voor verdere behandeling met inachtneming van deze overwegingen.
De Staatssecretaris van Financiën wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding en belanghebbende krijgt vergoeding van het griffierecht. De vraag over vergoeding van kosten voor het Hof wordt aan het verwijzingshof overgelaten.
Uitkomst: Het arrest van het Hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.