ECLI:NL:HR:1999:AA2749
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van Brunschot
- Van Vliet
- Hammerstein
- Van Amersfoort
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt uitspraak Hof over rentecomponent bij valutarisico in vennootschapsbelasting
Belanghebbende, een naamloze vennootschap, kocht in 1992 26% van de aandelen in een Spaanse vennootschap en financierde deze aankoop met een lening in Spaanse peseta's. De lening droeg een rente van 8,35%, gebaseerd op Nederlandse staatsleningen, en was lager dan de marktrente. In 1993 loste belanghebbende de lening volledig af, wat resulteerde in een boekwinst van circa 11,1 miljoen gulden.
Het Hof Amsterdam oordeelde dat de valutarisicocomponent in de rentevergoeding niet als kosten kon worden aangemerkt en dat het aan de wetgever was om te bepalen hoe een dergelijke component gescheiden moest worden. De Hoge Raad stelde echter dat indien een deel van de rente zijn grond vindt in de zwakte van de valuta, dit deel betrekking heeft op belaste voordelen uit valutaveranderingen en niet onder de niet-aftrekbare kosten valt zoals bedoeld in artikel 13, lid 1, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het Hof en verwees de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage voor nadere behandeling en beslissing, met inachtneming van haar arrest. Tevens werd de Staatssecretaris van Financiën veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding en werd belanghebbende het betaalde griffierecht vergoed.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest Hof en verwijst zaak terug voor nadere vaststelling van rentecomponent bij valutarisico.