ECLI:NL:HR:2004:AR4356
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing aftrek rentekosten valutarisico deelneming
Belanghebbende kreeg voor 1993 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd die na bezwaar werd gehandhaafd. Na eerdere procedures en verwijzingen oordeelde het Hof dat de rente op een lening ter financiering van een Spaanse deelneming niet aftrekbaar is voor zover deze verband houdt met het valutarisico van de peseta. Belanghebbende stelde dat dit in strijd is met het EU-recht, met name de Moeder-dochterrichtlijn en artikelen 43 en 48 VWEU.
De Hoge Raad overwoog dat het cassatieberoep zich beperkt tot de vraag welk deel van de rente toe te rekenen is aan het valutarisico en dat toetsing van de EU-rechtelijke aspecten feitelijke beoordeling vergt die niet in cassatie kan plaatsvinden. Het Hof had geoordeeld dat de overeengekomen rente zakelijk was en dat het valutarisico voor rekening van de verkopende aandeelhouder kwam.
De Hoge Raad verwierp de middelen en bevestigde dat het gedeelte van de rente dat zijn grond vindt in de zwakte van de peseta niet aftrekbaar is als kosten verbonden aan de deelneming. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de aftrek van rentekosten gerelateerd aan valutarisico wordt afgewezen.