ECLI:NL:HR:1998:AA2584
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Bellaart
- Van Vliet
- Hammerstein
- Van Amersfoort
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt uitspraak Hof over verrekening voorlopige aanslag bij belastingverhoging
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1991 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd met een belastbaar inkomen van f 110.846,-- en een verhoging van f 1.000,--. De Inspecteur had bij de berekening van de verhoging de betaalde voorlopige aanslag van f 34.064,-- buiten beschouwing gelaten. Belanghebbende maakte bezwaar en ging in beroep bij het Hof, dat de aanslag inclusief verhoging handhaafde zonder verrekening van de voorlopige aanslag.
In cassatie stelde belanghebbende dat de voorlopige aanslag, net als voorheffingen, verrekend moest worden bij de bepaling van de verhoging wegens het niet tijdig indienen van de aangifte. Het Hof oordeelde dat de verhoging een bestraffing is voor het niet tijdig indienen en dat het willekeurig zou zijn om de voorlopige aanslag mee te verrekenen, omdat deze gebaseerd is op een schatting. De Hoge Raad oordeelde echter dat de Inspecteur ten onrechte de voorlopige aanslag buiten beschouwing liet en dat deze volgens artikel 9 lid 3 AWR Pro verrekend moet worden.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof en de uitspraak van de Inspecteur, stelde de aanslag vast met een lagere verhoging van f 639,--, en veroordeelde de Staatsecretaris van Financiën tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende. Hiermee werd bevestigd dat de voorlopige aanslag bij de berekening van de verhoging in aanmerking moet worden genomen, gelijk aan de behandeling van voorheffingen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en bepaalt dat de voorlopige aanslag moet worden verrekend bij de belastingverhoging, waardoor de aanslag wordt verminderd.