ECLI:NL:HR:1998:AA2474
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Bellaart
- Van der Putt-Lauwers
- Van Brunschot
- Van Vliet
- Rechtspraak.nl
Vrijstelling koerswinst bij kwijtschelding van niet-verhaalbare lening in vreemde valuta
In deze zaak stond centraal of het koersresultaat bij de kwijtschelding van een lening in vreemde valuta tot de belastbare winst behoort. Belanghebbende, een Nederlandse BV, had in 1989 een lening van haar Zweedse moedervennootschap ontvangen ter financiering van een deelneming in de VS. Een deel van deze lening werd in 1990 kwijtgescholden omdat belanghebbende niet in staat was deze af te lossen. Het koersverschil door de wisselkoersdaling van de dollar leidde tot een vermeend voordeel van circa ƒ4.030.000.
Het Hof had geoordeeld dat onder een redelijke uitleg van artikel 8 lid 1 onderdeel Pro c van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 ook het koersverschil bij kwijtschelding van een niet-verhaalbare vordering in vreemde valuta onder de vrijstelling valt. De staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen dit oordeel.
De Hoge Raad bevestigde dat de vrijstelling niet beperkt is tot de nominale waarde van de prijsgegeven vordering, maar ook het koersvoordeel omvat dat niet gerealiseerd kan worden omdat de schuld niet kan worden voldaan. De kwijtschelding van de lening voldeed aan de omschrijving van het prijsgeven van niet voor verwezenlijking vatbare rechten door schuldeisers. Het beroep werd verworpen en de aanslag verminderd tot het lagere bedrag werd gehandhaafd.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de staatssecretaris wordt verworpen en het arrest van het Hof Amsterdam gehandhaafd.