ECLI:NL:HR:1998:AA2455
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Bellaart
- Van der Putt-Lauwers
- Van Brunschot
- Meij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling deelnemingsvrijstelling bij aandelen zonder nominale waarde in buitenlandse vennootschap
Belanghebbende, een besloten vennootschap, was aandeelhouder in de buitenlandse vennootschap X Inc., die aandelen zonder nominale waarde kende. Voor het boekjaar 1987/1988 werd een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd, welke na bezwaar en beroep bij het Hof werd bevestigd. Het geschil betrof de toepassing van de deelnemingsvrijstelling op het aandelenbezit van belanghebbende, waarbij het Hof oordeelde dat sprake was van een deelneming conform artikel 13 van Pro de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.
De Hoge Raad stelde vast dat het formele criterium van gerechtigdheid tot ten minste 5% van het nominaal gestorte kapitaal, zoals bedoeld in de wet, niet zonder meer toepasbaar is op aandelen in buitenlandse vennootschappen die geen nominale waarde kennen. De Hoge Raad oordeelde dat in dergelijke gevallen aansluiting gezocht moet worden bij de grootheid in het toepasselijke buitenlandse vennootschapsrecht die het meest overeenkomt met het Nederlandse begrip nominaal gestorte kapitaal.
Omdat het Hof deze methode niet had gevolgd en onvoldoende had gemotiveerd waarom het bepaalde stortingen als agio of nominaal kapitaal had aangemerkt, werd het arrest vernietigd en verwezen naar een ander gerechtshof voor verdere behandeling. Tevens werd de Staatssecretaris van Financiën veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
De uitspraak benadrukt de noodzaak om bij toepassing van de deelnemingsvrijstelling rekening te houden met verschillen in buitenlands vennootschapsrecht en dat het formele Nederlandse criterium niet zonder meer toepasbaar is op buitenlandse aandelen zonder nominale waarde.
Uitkomst: Het arrest van het Hof Amsterdam wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage voor verdere behandeling.