ECLI:NL:HR:1996:AA1786
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van der Linde
- De Moor
- Van der Putt-Lauwers
- Van Brunschot
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid van nationaliteitsvoorbehoud in Nederlands-Belgisch belastingverdrag
Belanghebbende, een Nederlandse staatsburger die in 1983 naar België emigreerde, werd voor het jaar 1987 aangeslagen voor inkomstenbelasting over een winst uit aanmerkelijk belang in een Nederlandse BV. De Inspecteur had de aanslag ambtshalve verminderd, maar belanghebbende kwam hiertegen in beroep bij het Hof, dat de aanslag handhaafde.
Belanghebbende stelde dat het nationaliteitsvoorbehoud in artikel 13, paragraaf 5, van het Nederlands-Belgisch belastingverdrag discriminatoir was en in strijd met artikel 26 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en artikel 7 van Pro het EG-Verdrag. De Hoge Raad oordeelde dat het onderscheid naar nationaliteit een objectieve en redelijke rechtvaardiging kent vanwege de bijzondere band tussen staat en onderdaan, zoals het recht op paspoort en consulaire bijstand.
Verder stelde de Hoge Raad vast dat het EG-Verdrag niet van toepassing is op deze situatie omdat het kapitaalverkeer zich binnen één lidstaat afspeelt en er geen sprake is van grensoverschrijdende belemmering. Het beroep op autonome toepassing van artikel 7 EG Pro-Verdrag strandde op het ontbreken van een grensoverschrijdend element en het feit dat het hier om een interne situatie gaat.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de rechtmatigheid van het nationaliteitsvoorbehoud in het belastingverdrag, waarbij het onderscheid niet als verboden discriminatie werd aangemerkt.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de rechtmatigheid van het nationaliteitsvoorbehoud in het belastingverdrag.