ECLI:NL:PHR:2001:AB0296
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over dubbele vestigingsplaats en dividendbelasting bij Nederlandse BV met feitelijke leiding op de Antillen
De zaak betreft twee naheffingsaanslagen dividendbelasting over 1992 en 1993 opgelegd aan een naar Nederlands recht opgerichte BV waarvan de feitelijke leiding in 1990 naar de Nederlandse Antillen werd verplaatst. De aandeelhouders waren in 1990 naar België geëmigreerd. De BV belegt haar gehele vermogen en keerde dividenden uit aan haar aandeelhouders.
Het geschil draait om de uitleg van artikel 34, lid 2, van de Belastingregeling voor het Koninkrijk (BRK), die een tie-breakbepaling bevat voor situaties van dubbele vestigingsplaats. De vraag is of deze bepaling ook buiten de toepassing van de BRK geldt, met name voor de Nederlandse dividendbelasting en verdragen met derde landen zoals België.
De Staatssecretaris stelt dat de tie-break slechts geldt binnen de BRK en dat Nederland daarom dividendbelasting mag heffen op de BV als Nederlandse vennootschap. De belanghebbende betoogt dat de tie-break ook het interne Nederlandse recht beïnvloedt en dat Nederland daardoor niet mag heffen. Het Hof stelde de belanghebbende in het gelijk en vernietigde de naheffingsaanslagen.
De Hoge Raad oordeelt dat de tie-breakbepaling in artikel 34 lid 2 BRK Pro niet zelfstandig de heffingsbevoegdheid buiten de BRK beperkt. De tie-break vult verwijzingen naar inwonerschap in de BRK in, maar werkt niet erga omnes. De naheffingsaanslagen worden daarom gehandhaafd. Tevens behandelt de Hoge Raad de vraag of de inhoudingsplicht op grond van het oprichtingsrecht een verboden discriminatie naar nationaliteit oplevert. Hoewel de regeling discriminatoir is, acht de Hoge Raad dit in het licht van de belangenafweging en verdragsrechtelijk aanvaardbaar. De zaak bevat uitgebreide overwegingen over de parlementaire geschiedenis, jurisprudentie, en internationale verdragen zoals het OESO-modelverdrag en het Verdrag met België.
De conclusie is dat de Nederlandse dividendbelastingheffing op de BV gegrond is, behoudens misbruik, en dat de tie-break in de BRK niet buiten die regeling werkt. De zaak benadrukt de complexiteit van dubbele vestigingsplaats en extraterritoriale heffing in het belastingrecht.
Uitkomst: De naheffingsaanslagen dividendbelasting worden gehandhaafd; Nederland mag dividendbelasting heffen op de BV met feitelijke leiding op de Antillen, tenzij sprake is van misbruik.