Uitspraak
[X]te
[Z](België) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te 's-Hertogenboschvan 16 december 1987 betreffende de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1980.
ƒ 17.000,--
Hoge Raad
Belanghebbende, een Nederlandse belastingplichtige, verhuisde in 1979 naar België en verkocht in 1980 aandelen in een besloten vennootschap waarin hij een aanmerkelijk belang had. De Inspecteur hechtte het voordeel uit deze verkoop aan het Nederlandse inkomen, wat belanghebbende betwistte op grond van het belastingverdrag tussen Nederland en België.
Het geschil betrof de uitleg van artikel 13, paragraaf 5, van het verdrag, met name de betekenis van de zinsnede "in de loop van het bedoelde tijdvak". Het Hof stelde dat Nederland belasting mocht heffen indien de aandelen in de vijf jaren voorafgaand aan de verkoop tot een aanmerkelijk belang behoorden, ook als belanghebbende het aanmerkelijk belang pas na verhuizing verwierf.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat Nederland het recht behoudt belasting te heffen over aanmerkelijk-belangwinst, ook indien het aanmerkelijk belang na verhuizing is verkregen. Dit volgt uit de tekst en strekking van het verdrag, dat belastingvlucht wil voorkomen en het heffingsrecht van Nederland beschermt. De Hoge Raad benadrukte dat het verdrag geen nieuwe heffingsbevoegdheid schept, maar het bestaande Nederlandse recht bevestigt.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat Nederland belasting mag heffen over aanmerkelijk-belangwinst ondanks verhuizing naar België, ook als het aanmerkelijk belang pas na verhuizing is verkregen.