ECLI:NL:HR:1995:AA3096
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van der Linde
- Bellaart
- C.H.M. Jansen
- Van der Putt-Lauwers
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt heffing oudedagsreserve bij staking onderneming in 1984
Belanghebbende, een fysiotherapeut geboren in 1924, had in 1984 haar onderneming gestaakt en een oudedagsreserve opgebouwd van ƒ 55.646,-. De Inspecteur had deze reserve ten onrechte niet in 1984 in het inkomen betrokken, maar wel in 1985. Het Hof Amsterdam oordeelde dat de correctie in 1984 had moeten plaatsvinden en verwierp de navordering in 1985.
De Hoge Raad stelt dat op grond van artikel 44d, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 het beginsel van balanscontinuïteit ook op de oudedagsreserve van toepassing is. Dit betekent dat indien een oudedagsreserve ten onrechte in een voorgaand jaar is gehandhaafd, de Inspecteur deze in een volgend jaar mag corrigeren, ook als de onderneming inmiddels is gestaakt.
De Hoge Raad wijst het beroep van de Staatssecretaris toe, vernietigt het hofarrest en bevestigt de uitspraak van de Inspecteur. De zaak wordt afgedaan zonder proceskostenveroordeling. De uitspraak benadrukt dat het verzuim bij staking van de onderneming een incidentele fout is die via de normale belastingrechtelijke wegen hersteld moet worden, en dat het beginsel van balanscontinuïteit niet analoog kan worden toegepast om de afrekening van de oudedagsreserve naar een later jaar te verschuiven.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de oudedagsreserve die ten onrechte niet in 1984 is afgerekend, alsnog in 1985 mag worden belast.