ECLI:NL:HR:1994:AA2998
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- raadsheer Urlings
- raadsheer Zuurmond
- raadsheer Herrmann
- raadsheer Fleers
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over aftrek onderhoudskosten bij verhuurde woning aan studerende dochter
Belanghebbende had voor zijn studerende dochter een woning gekocht en deze aan haar verhuurd voor een huurprijs lager dan de economische huurwaarde. De dochter verhuurde vervolgens een deel van de woning onder. Belanghebbende bracht in zijn aangifte onderhoudskosten en afschrijvingen in aftrek, waarvan een deel als kosten van verbetering werd aangemerkt.
Het hof had geoordeeld dat vanwege het verschil tussen de huurprijs en de economische huurwaarde de woning aan de dochter ook anders dan als huurster ter beschikking stond, en dat artikel 35, lid 5, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 de aftrek van kosten voor het volle bedrag uitsloot. De Hoge Raad oordeelt dat deze uitleg onjuist is en dat de beperking van de aftrek slechts geldt voor hetzelfde evenredige deel als waarvoor het huurwaardeforfait van toepassing is.
Verder overweegt de Hoge Raad dat de onderverhuur door de dochter invloed heeft op de toepassing van het huurwaardeforfait en de aftrekbeperking, maar dat het hof niet heeft vastgesteld welk deel van de woning was verhuurd. Daarom kan de Hoge Raad de zaak niet zelf afdoen en verwijst zij de zaak terug naar het hof voor nadere beoordeling.
De Hoge Raad beslist ook over de proceskosten en veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het cassatiegeding. Het arrest is gewezen door vijf raadsheren in raadkamer op 30 november 1994.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor nadere beoordeling van het proportionele aftrekbare deel van de onderhoudskosten.