ECLI:NL:GHSGR:2003:AS4937

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
12 december 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
BK-03/00514
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Tromp
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Correcte toepassing van economische huurwaarde bij aftrekbare kosten verhuurde woning

Belanghebbende verhuurde een woning aan zijn moeder tegen een huurprijs die aanzienlijk lager lag dan de economische huurwaarde. Bij de aanslag inkomstenbelasting corrigeerde de Inspecteur de aftrekbare kosten omdat de woning deels om niet ter beschikking was gesteld. Na bezwaar kwam een makelaar overeen met de Belastingdienst tot een reële huurprijs van ƒ 8.700.

Het geschil betrof de vraag of de correctie van de aftrekbare kosten terecht was. Het hof oordeelde dat de Inspecteur terecht had vastgesteld dat de overeengekomen huurprijs significant afweek van de economische waarde, waardoor niet alle kosten aftrekbaar waren. De factor voor de correctie werd juist berekend op basis van de verhouding tussen de overeengekomen en de reële huurprijs.

Belanghebbende stelde dat hij bij kennis van de feiten een zakelijke huurprijs zou hebben gehanteerd en dat de woning een bron van inkomen was, maar dit werd niet aanvaard. Het hof benadrukte dat het rechtspreken volgens de wet moet plaatsvinden en dat billijkheidstoetsing niet aan de orde is.

Het beroep werd ongegrond verklaard en er werden geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de correctie op de aftrekbare kosten is ongegrond verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE
negende enkelvoudige belastingkamer
12 december 2003
nummer BK-03/00514
PROCES-VERBAAL
van de mondelinge uitspraak op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid Ondernemingen P van de Belastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aanslag inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 1999.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 28 november 2003, gehouden te Middelburg. Aldaar zijn verschenen belanghebbende en namens de Inspecteur mr. A.
Beslissing
Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.
Gronden
1. Belanghebbende bezit naast zijn eigen woning onder andere een woonhuis gelegen aan de a-straat 1 te Q. De woning aan de a-straat werd in het onderhavige jaar bewoond door de moeder van belanghebbende. In de huurovereenkomst tussen belanghebbende en zijn moeder is bepaald dat de jaarlijkse huurprijs ƒ 4.200 bedraagt en dat deze huurprijs in onderling overleg kan worden voldaan.
2. Voor het onderhavige jaar heeft belanghebbende aangifte voor de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen gedaan naar een belastbaar inkomen van ƒ 159.096. Hierbij heeft hij ter zake van de aan zijn moeder verhuurde woning een totaalbedrag van ƒ 44.809 als aftrekbare kosten opgevoerd, bestaande uit 'rente van schulden' voor een bedrag van ƒ 1.543 en 'onderhoud en andere kosten' voor een bedrag van ƒ 43.266.
3. Bij de aanslagregeling heeft de Inspecteur geconstateerd dat de overeengekomen huur in belangrijke mate afwijkt van de economische huurwaarde. Hieraan heeft de Inspecteur de conclusie verbonden dat de woning deels om niet, dat wil zeggen anders dan als huurder, aan de moeder van belanghebbende ter beschikking is gesteld. Met het oog hierop heeft de Inspecteur het aangegeven belastbare inkomen ter zake van de als 'onderhoud en andere kosten' opgevoerde aftrekbare kosten gecorrigeerd met een bedrag van ƒ 24.337. Ook is een correctie toegepast in verband met de ontvangen huur, groot ƒ 4.200.
4. Na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar heeft een door belanghebbende aangewezen makelaar met de taxateur van de Belastingdienst overeenstemming bereikt over de voor de verhuurde woning reële huurprijs. Partijen zijn overeengekomen dat de reële huurprijs ƒ 8.700 per jaar bedraagt. Op grond hiervan heeft de Inspecteur het niet aftrekbare deel van de onder 3 vermelde kosten bij de uitspraak op bezwaar berekend op ƒ 22.379, zijnde 45/87 deel van ƒ 43.266. Het belastbare inkomen is verlaagd met ƒ 1.958.
5. In geschil is het antwoord op de vraag of de voormelde correctie ten aanzien van de kostenaftrek betreffende de verhuurde woning terecht is toegepast, welke vraag belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoordt.
6. Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur, uitgaande van de door tussen partijen niet meer in geschil zijnde reële huurprijs van ƒ 8.700, terecht heeft gesteld dat de overeengekomen huur in belangrijke mate afwijkt van de economische huurwaarde. De daaraan door de Inspecteur verbonden conclusie dat belanghebbende de woning voor een deel om niet, dat wil zeggen anders dan als huurder, ter beschikking heeft gesteld aan zijn moeder, hetgeen met zich brengt dat niet alle bij belanghebbende opgekomen kosten voor de verhuur van de woning aftrekbaar zijn, acht het Hof onder de gegeven omstandigheden aannemelijk. Belanghebbende heeft van zijn kant geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt die op het tegendeel wijzen. Het standpunt van belanghebbende dat hij indien hij hiervan op de hoogte zou zijn geweest een zakelijke huurprijs zou hebben berekend kan in deze niet tot een andere conclusie leiden. De stelling van belanghebbende dat de verhuurde woning een bron van inkomen vormt zodat de daaraan verbonden kosten integraal aftrekbaar zijn ongeacht de hoogte van de huurprijs vindt geen steun in de Wet en doet dus aan het oordeel van het Hof niet af.
7. De Inspecteur heeft op grond van hetgeen de Hoge raad in zijn arrest van 30 november 1994, nr. 29.997, BNB 1995/28*, heeft geoordeeld, de voor de berekening van het aftrekbare deel van de kosten gehanteerde factor vastgesteld aan de hand van de verhouding tussen de overeengekomen huurprijs en de (reële) economische huurprijs. De op deze wijze door de Inspecteur berekende factor van 45/87 acht het Hof correct.
8. De grief van belanghebbende dat hij fiscaal en financieel buiten proportioneel gestraft wordt door een huur van ƒ 4.200 in rekening te brengen in plaats van een huur van ƒ 8.700 zodat de beslissing op het bezwaarschrift niet fair is en indruist tegen wat redelijk en billijk is treft geen doel. Immers, de beperking van de aftrekbaarheid van de kosten ter zake van de verhuur van de woning vloeit rechtstreeks voort uit een juiste toepassing van de Wet. Het Hof moet rechtspreken volgens de Wet en mag niet de innerlijke waarde of de billijkheid van de Wet beoordelen of toetsen.
9. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond.
10. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Deze uitspraak is vastgesteld op 12 december 2003 door mr. Tromp en op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier mr. Kwestro.
(Kwestro)
(Tromp)
aangetekend aan
partijen verzonden:
Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke uitspraak. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.
De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt, is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.
nummer BK-03/00514