Uitspraak
Strafkamer
nr. 91-92-V
CJIB 195574
SM
[betrokkene], wonende te
[woonplaats].
De wet Arob Toegepast, Nijmegen 1990, p. 126). In het kader van de Algemene Wet Bestuursrecht krijgt het beginsel kracht van wet (zie artikel 3.2.3 lid 2 voorontwerp Algemene Wet Bestuursrecht).
De wet Mulder, Arnhem 1990, p. 127).
Daarentegen zijn wel verschuldigd de kosten van uitbrengen van het deurwaardersexploit.
Een dwangbevel als bedoeld in art. 26 WAHV Pro kan eerst rechtsgeldig worden uitgevaardigd nadat de beschikking waarbij de administratieve sanctie tot verhaal waarvan het dwangbevel moet dienen is opgelegd, onherroepelijk is geworden.
In een geval als het onderhavige, waarin de betrokkene het verweer voert dat hij de beschikking waarbij de administratieve sanctie is opgelegd niet heeft ontvangen, is voor de beantwoording van de vraag of de beschikking onherroepelijk is, beslissend of op grond van een in het kader van de procedure van art. 26 WAHV Pro verricht onderzoek, zo nodig aan de hand van door de officier van justitie te verstrekken gegevens, door de kantonrechter wordt vastgesteld dat het verweer van de betrokkene als onjuist moet worden verworpen, omdat blijkt dat deze de beschikking wel heeft ontvangen, dan wel niet heeft ontvangen ten gevolge van een hem toe te rekenen omstandigheid. In beginsel is het aan de officier van justitie om aannemelijk te maken dat aan een van deze voorwaarden is voldaan, maar van een betrokkene zal mogen worden gevergd dat hij ter staving van zijn verweer tot het tegendeel voldoende feitelijke gegevens verstrekt. De enkele ontkenning door een betrokkene dat hij het desbetreffende stuk heeft ontvangen brengt niet mee dat van de juistheid van hetgeen de betrokkene stelt moet worden uitgegaan.
Het middel faalt reeds aangezien een stelling van deze inhoud niet met vrucht voor het eerst in cassatie te berde kan worden gebracht. Een dergelijke stelling vergt immers een onderzoek van feitelijke aard, waarvoor in cassatie geen plaats is.
Bij het onderzoek naar de beantwoording van hetgeen in 5.2.1 is vooropgesteld, heeft de Kantonrechter nagelaten om, zonodig aan de hand van door de Officier van Justitie verstrekte gegevens, te onderzoeken of het verweer van [betrokkene] , dat hij de inleidende beschikking niet heeft ontvangen, in het licht van de concrete omstandigheden van het geval al dan niet moet worden verworpen.
Uit de gedingstukken blijkt dat door de Officier van Justitie in de onderhavige verzetprocedure gegevens zijn verstrekt. Tot de aan de Hoge Raad gezonden stukken van het geding behoort een commentaar van de Officier van Justitie te Utrecht van 16 juni 1992 op het tot de Kantonrechter gerichte bezwaarschrift van [betrokkene] . Bij dit commentaar is gevoegd het zaakoverzicht van het Centraal Justitiëel Incasso Bureau (CJIB) betreffende de aan [betrokkene] opgelegde sanctie. Volgens dit zaakoverzicht, waarop de Officier van Justitie zich beroept, is de inleidende beschikking op 8 september 1991 aan [betrokkene] verzonden naar het adres [a-straat 1] , [postcode] [plaats] , waar [betrokkene] , naar hij heeft aangevoerd, op dat tijdstip nog woonde.
De gegevens waarop de Officier van Justitie zich in zijn commentaar beroept zijn van aanmerkelijk belang voor de beoordeling van het verweer van [betrokkene] , dat hij de inleidende beschikking niet heeft ontvangen op grond dat deze naar zijn oude adres is verstuurd nadat hij was verhuisd.
Uit de gedingstukken blijkt echter niet dat dit commentaar ter kennis van [betrokkene] is kunnen komen, zodat in cassatie ervan moet worden uitgegaan dat zulks, in strijd met beginselen van een goede procesorde, niet is geschied.
15 juli 1993.