Uitspraak
Req.nr. 6719
AT
[verzoekster 2] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
- (ii) Op verzoek van een aantal van haar huurders heeft de Woningbouwvereniging besloten de centrale ketels te vervangen door afzonderlijke ketels in elke woning. Voor deze verandering in de inrichting van het gehuurde behoefde de Woningbouwvereniging, ingevolge het bepaalde in art. 1590 BW Pro en het daarmede overeenstemmende art. 8, eerste lid, van haar Huurreglement, de toestemming van haar huurders.
- (iii) Van de huurders van de 20 woningen van het blok waartoe de woning van [verzoekers] behoort, weigerden de huurders van twee woningen die toestemming. Daaronder waren [verzoekers]
- (iv) Daarop heeft de Woningbouwvereniging [verzoekers] aangeboden met betrekking tot de door hen sedert 1 augustus 1970 van haar gehuurde woning met hen een nieuwe huurovereenkomst aan te gaan, welke van de bestaande slechts in zoverre verschilde dat (1) in de verwarming van de woning niet meer zou worden voorzien door middel van blokverwarming, doch door middel van een eigen (conventionele) verwarmingsketel in de woning (2) de huurder niet meer verplicht zou zijn bij te dragen in de kosten van de blokverwarming en (3) de bijkomende kosten overigens zouden worden verhoogd met
f27,-- à f 27,50 per maand.
e,eerste lid, onder 4° BW bedoelde grond en zich vervolgens op de voet van art. 1623
c, tweede lid, tot de Kantonrechter gewend met het verzoek het tijdstip vast te stellen waarop de huurovereenkomst zal eindigen.
e, eerste lid, onder 4° bedoeld, zodat het verzoek ontvankelijk is. Zij heeft dat verzoek vervolgens toegewezen, omdat zij het aanbod redelijk oordeelde.
e, eerste lid, aanhef en onder 4°, BW geen andere conclusie toelaat dan dat "slechts wijzigingsvoorstellen die geen consequenties voor de huurprijs c.q. voor de bijkomende kosten hebben, en mogelijk ook: wijzigingsvoorstellen waarbij de consequenties ten aanzien van de huurprijs c.q. de bijkomende kosten in de context van het voorstel als geheel verwaarloosbaar gering zijn, een grond voor ontruiming (...) kunnen opleveren". Deze opvatting kan niet als juist worden aanvaard.
e, eerste lid, onder 4°.
Nu zal de verhuurder tot het aanbrengen van voorzieningen die strekken tot verbetering van de woning, in de regel slechts bereid zijn indien de huurder tegenover die verbeteringen instemt met een verhoging van de huurprijs of van de in art. 12, eerste lid, HPW bedoelde bijkomende kosten. De verhuurder zal daarom in zijn aanbod voor een nieuwe, dergelijke voorzieningen omvattende huurovereenkomst veelal ook zo'n verhoging opnemen. Onaannemelijk is dat dit laatste, in verband met de laatste zinsnede van art. 1623
e, eerste lid, onder 4°, ten gevolge zou hebben dat zijn aanbod daardoor niet meer zou mogen worden aangemerkt als een aanbod waarvan het van de hand wijzen door de huurder een geldige grond oplevert voor huuropzegging en tevens, als de rechter het aanbod redelijk oordeelt, voor toewijzing van een verzoek als bedoeld in art. 1623c, tweede lid.
e, eerste lid, onder 4° om de verhuurder de mogelijkheid te bieden het geschil dat ontstaat als de huurder niet toestemt in zijn aanbod tot het aangaan van een nieuwe, voorzieningen tot verbetering van de woning omvattende huurovereenkomst, door de rechter te doen beslissen.
c, tweede lid, toe te wijzen, de huurder een termijn van één maand toestaan om het aanbod alsnog te aanvaarden. Doet de huurder dat, dan bieden de artt. 10, resp. 12 in verbinding met art. 14 HPW Pro gelegenheid om de (niet volledig vrij) overeengekomen verhoging van de huurprijs of van de bijkomende kosten alsnog te doen toetsen (vgl. Nota n.a.v. het eindverslag, Bijl. Hand. II 1977, 14 175, nr. 11, blz . 9) .
e, eerste lid, onder 4°.
e, achtste lid, [verzoekers] een nieuwe termijn van één maand te gunnen om alsnog - de wijze als in het dictum van de bestreden beschikking van de Rechtbank aangegeven - het aanbod van de Woningbouwvereniging te aanvaarden en om het tijdstip waarop de huurovereenkomst bij gebreke van zo'n aanvaarding eindigt en de woning moet worden ontruimd, opnieuw vast te stellen op 1 april 1985.
4 januari 1985.