Uitspraak
Burgemeester en Wethoudersvan de gemeente
[Z]tegen de uitspraak van het Gerechtshof te
's-Gravenhagevan 30 juli 1981 betreffende de aan
[X]te
[Z]voor het jaar 1979 opgelegde aanslag in de baatbelasting [c-straat] van de gemeente [Z];
Hoge Raad
In deze zaak is door de gemeente een baatbelasting opgelegd voor voorzieningen zoals sierbestrating, sierverlichting en bloembakken in een winkelgebied dat tot voetgangersgebied is ingericht. Belanghebbende, eigenaar van een woning met een assurantiekantoor, betwistte de aanslag omdat hij meende dat het bedrijfsgedeelte niet gebaat was bij deze voorzieningen.
Het Hof oordeelde dat het bedrijfsgedeelte niet gebaat was, mede vanwege nadelige gevolgen zoals moeilijker begaanbare stoepen en parkeerverbod, en vernietigde de aanslag. De gemeente stelde in cassatie dat het begrip 'gebaat zijn' betrekking heeft op het onroerend goed als zodanig, ongeacht het gebruik.
De Hoge Raad bevestigde dat het gehele gebouwde eigendom door de voorzieningen gebaat moet zijn, los van het specifieke gebruik. Het Hof had ten onrechte alleen het bedrijfsgedeelte onderzocht en het gebruik als assurantiekantoor meegewogen. Daarom werd het arrest vernietigd en verwezen naar het Hof voor herbeoordeling met inachtneming van deze rechtsopvatting.
Uitkomst: Het arrest van het Hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor herbeoordeling volgens correcte rechtsopvatting over het begrip 'gebaat zijn'.