Uitspraak
[X]te
[Z]tegen de uitspraak van den Raad van Beroep voor de directe belastingen te te
Arnhemvan 9 November 1956 betreffende den hem opgelegden aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1952;
Hoge Raad
In deze zaak betrof het een aanslag inkomstenbelasting over 1952 waarbij belanghebbende, een firma, een vermindering van het zuiver inkomen vorderde op basis van afschrijving van een oud pand dat in 1949 werd aangekocht en in 1952 werd afgebroken. Het pand was oorspronkelijk bedoeld als bedrijfspand voor showroom, werkplaats en stalling, maar door het niet verkrijgen van een vestigingsvergunning werd besloten het pand te slopen en twee woonhuizen te bouwen die als bedrijfspanden op de balans stonden.
De Inspecteur en de Raad van Beroep stelden dat de aankoopkosten van het oude pand deel uitmaken van de stichtingskosten van de nieuwe panden en dat afschrijving op het afgebroken pand niet toegestaan is. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat het feit dat het oude pand een andere bestemming kreeg dan oorspronkelijk bedoeld, niet afdoet aan het fiscale standpunt dat de aankoopkosten tot de stichtingskosten behoren.
De Hoge Raad wijst de cassatiegrieven af en benadrukt dat het pand is opgeofferd voor de bouw van nieuwe bedrijfspanden en dat de waarde van het pand vóór afbraak moet worden gezien als onderdeel van de stichtingskosten. Een aparte afschrijving op het oude pand na afbraak is derhalve niet toegestaan.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde dat afschrijving op de restant-boekwaarde van het afgebroken pand niet is toegestaan omdat de aankoopkosten deel uitmaken van de stichtingskosten van de nieuwe bedrijfspanden.