Uitspraak
Weduwe [X]te
[Z], tegen de uitspraak van den Raad van Beroep voor de directe belastingen te
Roermondvan 15 Juli 1921, tegen haar aanslag in de Rijksinkomstenbelasting over 1919/20;
Hoge Raad
De zaak betreft een beroepschrift van een weduwe tegen de uitspraak van de Raad van Beroep voor de directe belastingen inzake haar aanslag in de Rijksinkomstenbelasting over 1919/20. Aanvankelijk werd een aanslag opgelegd op een inkomen van 6500 gulden, afwijkend van haar aangifte van 3060 gulden. Later werd een tweede aanslag opgelegd op een hoger inkomen van 10777 gulden, waartegen zij bezwaar maakte.
De inspecteur stelde het inkomen bij beschikking vast op 10032 gulden, waarna de belanghebbende hoger beroep instelde. De Raad van Beroep stelde het inkomen vast op 8000 gulden, hoger dan de oorspronkelijke aanslag. De belanghebbende verzocht vernietiging en terugwijzing of vaststelling van een lager inkomen.
De Hoge Raad oordeelt dat tegen de eerste aanslag geen wijziging meer mogelijk is vanwege intrekking van het bezwaar en termijnoverschrijding. Ten aanzien van de tweede aanslag is het opleggen daarvan onrechtmatig omdat de wet bij te weinig geheven belasting alleen navordering toestaat, niet een tweede primitieve aanslag. Daarom had de Raad van Beroep de tweede aanslag moeten vernietigen in plaats van verminderen.
De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van de Raad van Beroep en de tweede aanslag, en verklaart de belanghebbende niet-ontvankelijk voor zover het beroep tegen de eerste aanslag is gericht.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de tweede primitieve aanslag en verklaart de belanghebbende niet-ontvankelijk voor het beroep tegen de eerste aanslag.