De heffingsambtenaar van de gemeente Eindhoven legde een naheffingsaanslag parkeerbelasting op aan belanghebbende wegens het niet betalen van parkeerbelasting op 7 juni 2022. De aanslag bestond uit een parkeerbelastingbedrag van €1,80 en kosten van naheffing van €66,50, conform de geldende verordening en het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen 2022.
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag en stelde dat bepaalde kostenposten, zoals invorderingskosten, kosten voor parkeerautomaten, kleding en politie, ten onrechte in de kosten waren opgenomen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde bij het hof.
Het hof stelde vast dat de totale geraamde kosten voor personeels- en overheadkosten, die belanghebbende niet betwist, de in rekening gebrachte kosten van naheffing ruimschoots dekken. Hierdoor was het niet nodig om te beoordelen of de betwiste kostenposten terecht waren opgenomen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Het hof wees verder een vergoeding van griffierecht en proceskosten af. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 1 april 2026 en partijen werd gewezen op de mogelijkheid tot cassatie bij de Hoge Raad binnen zes weken.