Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:740

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
25/751
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging rechtmatigheid aanslag inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet ondanks geringe AOW-uitkering

Belanghebbende ontving in 2021 een geringe AOW-uitkering en pensioenuitkeringen uit Duitsland. De inspecteur legde een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet (Zvw) op gebaseerd op het Duitse pensioeninkomen. Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag en de wijze van rechtsmiddelverwijzing, en stelde dat de aanslag te laat was opgelegd waardoor zij niet tijdig de AOW-uitkering kon stopzetten.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde. Het hof oordeelde dat de aanslag rechtmatig en correct was vastgesteld en dat de inspecteur niet tekort was geschoten in zijn voorlichtende taak. De inspecteur had zelfs geadviseerd de Sociale Verzekeringsbank (Svb) te verzoeken de verzekeringsplicht stop te zetten.

Belanghebbende verzocht het hof de Svb op te dragen de AOW-uitkering met terugwerkende kracht te beëindigen, maar het hof verklaarde zich als belastingrechter onbevoegd hiertoe. Het hof bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegewezen.

Uitkomst: Het hof bevestigt de rechtmatigheid van de aanslag Zvw 2021 en verklaart zich onbevoegd om de Svb te verplichten de AOW-uitkering met terugwerkende kracht stop te zetten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 25/751
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 31 maart 2025, nummer BRE 24/3501 in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet 2021 (hierna: Zvw) opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende bijgestaan door zijn echtgenote [de echtgenote] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
1.6.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende is in 2021 woonachtig in Nederland.
2.2.
Belanghebbende heeft in 2021 een AOW-uitkering van de Sociale Verzekeringsbank (hierna: Svb) ontvangen tot een bedrag van € 328. Daarnaast heeft belanghebbende vanuit Duitsland pensioenuitkeringen ontvangen van Deutsche Rentenversicherung (hierna: DRV), van in totaal € 24.850 en van Philips Pensionskasse Hamburg van € 1.408.
2.3.
De aanslag Zvw voor het jaar 2021 (aanslag Zvw) is berekend naar een bijdrage-inkomen van € 26.258. Dit is het totaal van de uit Duitsland ontvangen pensioenuitkeringen.
2.4.
De Svb heeft belanghebbende op 22 oktober 2007 een ontheffing verleend van de verplichte verzekering ten aanzien van de Algemene nabestaandenwet, de Algemene Ouderdomswet en de Algemene Kinderbijslagwet. In dit stuk is tevens vermeld dat de ontheffing niet geldt voor de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).
2.5.
In een emailbericht van 23 oktober 2023 heeft de inspecteur gemachtigde het volgende bericht:
“Mijn advies is inderdaad om de SVB te vragen de verzekeringsplicht stop te zetten per direct en omdat zij niet met terug werkende kracht werken zult u bezwaar moeten maken en vragen of de ontvangen AOW uitkering eventueel terug betaald kan worden.
Mocht de SVB hier positief op beslissen dan passen wij de aangifte hierop aan.”
2.6.
Belanghebbende heeft de Svb eind 2023 verzocht om de AOW-uitkering te beëindigen. De Svb heeft de AOW-uitkering beëindigd met ingang van 1 december 2023. Belanghebbende heeft tegen die beschikking bezwaar gemaakt en verzocht om de uitkering met terugwerkende kracht tot 1 januari 2019 te beëindigen. Dat bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat was ingediend. De rechtbank Limburg heeft het hiertegen ingestelde beroep op 21 januari 2025 ongegrond verklaard.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
1. Is de aanslag rechtmatig en tot het juiste bedrag vastgesteld?
2. Handelt de inspecteur onzorgvuldig door in de rechtsmiddelverwijzing op te nemen dat bezwaar moet worden gemaakt bij de Belastingdienst?
3. Is de aanslag dermate laat opgelegd waardoor belanghebbende niet tijdig de AOW-uitkering heeft kunnen stopzetten?
4. Dient de Svb de AOW-uitkering stop te zetten met ingang van 1 januari 2021?
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en vernietiging van de aanslag en belastingrentebeschikking. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
1. Rechtmatigheid en juistheid van de aanslag
4.1.
Hoewel de grieven in hoger beroep vooral gericht lijken te zijn tegen de beslissing van de Svb om geen terugwerkende kracht te verlenen aan het stopzetten van de AOW-uitkering, gaat het hof ervan uit dat belanghebbende ook de rechtmatigheid van de aanslag ter discussie stelt.
4.2.
Het hof is van oordeel dat de aanslag rechtmatig en tot het juiste bedrag is opgelegd. Het hof verwijst naar r.o. 4.1 tot en met 4.6 van de uitspraak van de rechtbank en neemt deze over.
2. Onzorgvuldige rechtsmiddelverwijzing?
4.3.
Belanghebbende stelt dat de rechtsmiddelverwijzing bij de aanslag onjuist is, althans dat zij hierdoor op het verkeerde been is gezet en dat de voorlichtende taak van de inspecteur niet juist is uitgevoerd. Naar het hof begrijpt bedoelt belanghebbende hiermee te stellen dat de inspecteur haar had moeten wijzen op de mogelijkheid om bij de Svb ontheffing te krijgen en dat de rechtsmiddelverwijzing bij het aanslagbiljet slechts wijst op de mogelijkheid van bezwaar bij de inspecteur.
4.4.
Het hof verwerpt deze stelling van belanghebbende. De inspecteur dient te zorgen voor een duidelijke rechtsmiddelverwijzing ten aanzien van aanslag die hij oplegt. Op de inspecteur rust geen verplichting om belanghebbende te wijzen op de mogelijkheid om ontheffing te vragen bij de Svb.
Het hof wijst er overigens op dat de aanslag is opgelegd op 28 november 2023 en dat de inspecteur al op 23 oktober 2023 in een emailbericht aan gemachtigde geadviseerd heeft om de Svb te vragen de verzekeringsplicht stop te zetten en te vragen of de reeds ontvangen AOW-uitkering terugbetaald kan worden.
Hieruit volgt dat de inspecteur niet is tekortgeschoten in zijn voorlichtende taak.
3. Tijdigheid opleggen aanslag
4.5.
Belanghebbende stelt voorts dat de inspecteur ten onrechte lang heeft gewacht met het opleggen van de aanslag. Belanghebbende stelt dat als de inspecteur eerder een aanslag had opgelegd, zij eerder op de hoogte was van de heffing van de premies Zvw en eerder bij de Svb aan de bel had kunnen trekken, waardoor deze negatieve gevolgen op een eerder tijdstip dan 1 december 2023 gestopt hadden kunnen worden.
4.6.
Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat de inspecteur de bevoegdheid heeft op tot drie jaar na afloop van het jaar 2021 een aanslag op te leggen en dat binnen die termijn de aanslag is opgelegd.
Het feit dat belanghebbende bij het eerder opleggen van de aanslag ook eerder aan de bel had kunnen trekken bij de Svb, brengt niet mee dat de rechtmatigheid van de onderhavige aanslag daarmee vervalt. Belanghebbende heeft een beschikking van de Svb ontvangen waarbij de AOW-uitkering is stopgezet. Zij heeft de mogelijkheid gehad om rechtsmiddelen tegen die beschikking aan te wenden en zij had daarbij ook de vraag aan de orde kunnen stellen of de Svb ten onrechte geen terugwerkende kracht aan de stopzetting heeft verleend. Zij heeft echter niet tijdig bezwaar ingediend als gevolg waarvan het bezwaarschrift niet ontvankelijk is verklaard.
4. Stopzetting verzekeringsplicht door de Svb
4.7.
Belanghebbende verzoekt het hof de Svb op te dragen de verzekeringsplicht stop te zetten met ingang van 2021. Het hof is daar, als belastingrechter, in deze procedure niet toe bevoegd. Tegen beslissingen van de Svb staan rechtsmiddelen open bij de algemene bestuursrechter. Belanghebbende heeft daar ook gebruik van gemaakt door bezwaar en vervolgens beroep in te stellen bij de rechtbank Limburg. Het bezwaarschrift was echter te laat ingesteld, waardoor ook de rechtbank het beroep niet inhoudelijk heeft kunnen behandelen.
Tussenconclusie
4.8.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.9.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.10.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene Pro wet bestuursrecht.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart zich onbevoegd om uitspraak te doen over de beslissing van de Svb over de verzekeringsplicht;
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door T.A. Gladpootjes, voorzitter, J.M. van der Vegt en J. Rietveld, in tegenwoordigheid van R. Camps, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.
De griffier, De voorzitter,
R. Camps T.A. Gladpootjes
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.