Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:735

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
24/897, 24/898, 24/899 en 24/900
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Wet op de bedrijveninvesteringszonesArt. 5 Wet op de bedrijveninvesteringszonesArt. 16 Verordening Bedrijveninvesteringszone Centrumgebied Waalwijk 2022-2026Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging rechtsgeldige inwerkingtreding BIZ-Verordening na tweede draagvlakmeting

De zaak betreft hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant over de rechtsgeldigheid van de inwerkingtreding van de Verordening Bedrijveninvesteringszone Centrumgebied Waalwijk 2022-2026. Belanghebbenden voerden aan dat de Verordening niet rechtsgeldig in werking is getreden omdat de eerste draagvlakmeting onvoldoende steun opleverde en er geen rechtsgrond was voor een tweede draagvlakmeting.

De rechtbank oordeelde dat de Verordening rechtsgeldig in werking is getreden omdat het college van burgemeester en wethouders bevoegd was een tweede draagvlakmeting te organiseren. Het hof onderschrijft dit oordeel en stelt dat noch de Wet BIZ noch de Verordening een tweede draagvlakmeting verbiedt. De wetgever heeft in de memorie van toelichting expliciet rekening gehouden met de mogelijkheid van meerdere metingen om alsnog voldoende steun te verkrijgen.

De eerste draagvlakmeting leverde onvoldoende steun op, maar de tweede meting voldeed aan alle wettelijke criteria. De uitslag van de tweede meting is rechtsgeldig vastgesteld en gepubliceerd. Belanghebbenden hebben ter zitting erkend dat zij zich niet langer op het standpunt stellen dat de draagvlakmeting niet eerlijk of transparant is verlopen.

Het hof verklaart de hoger beroepen ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank dat de aanslagen BIZ-bijdrage terecht zijn opgelegd. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: De BIZ-Verordening is rechtsgeldig in werking getreden na een tweede draagvlakmeting, waardoor de aanslagen terecht zijn opgelegd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 24/897, 24/898, 24/899 en 24/900
Uitspraak op de hoger beroepen van
[belanghebbende 1] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende 1,
en
[belanghebbende 2] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende 2 (en tezamen met belanghebbende 1: belanghebbenden)
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 25 april 2024, nummers BRE 23/2033 tot en met 23/2036, in het geding tussen belanghebbenden en
de heffingsambtenaar van de gemeente Waalwijk,
hierna: de heffingsambtenaar.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft voor het jaar 2022 aanslagen BIZ bijdrage opgelegd op grond van de Verordening Bedrijveninvesteringszone Centrumgebied Waalwijk 2022-2026 (hierna: de Verordening).
1.2.
Belanghebbenden hebben bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbenden hebben tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbenden hebben tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft verweerschriften ingediend.
1.5.
De zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende 2 en, namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar] .
1.6.
Belanghebbende 2 heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij. De heffingsambtenaar heeft geen bezwaar gemaakt tegen overlegging van de twee bij deze pleitnota behorende bijlagen.
1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende 1 is eigenaar van de onroerende zaken gelegen aan [adres 1] en [adres 2] in [woonplaats] . Belanghebbende 2 is eigenaar van de onroerende zaken gelegen aan [adres 3] en [adres 4] in [woonplaats] .
2.2.
De gemeenteraad van de gemeente Waalwijk heeft op 30 september 2021 de Verordening vastgesteld.
2.3.
Over de inwerkingtreding van de Verordening is in die Verordening het volgende bepaald:

Artikel 16Inwerkingtreding
1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2022 mits aan de hand van de door het college van burgemeester en wethouders geboden gelegenheid, als bedoeld in artikel 4 van Pro de wet, is gebleken van voldoende steun onder de bijdrageplichtigen, als bedoeld in artikel 5 van Pro de wet.
2. Het college van burgemeester en wethouders stelt uiterlijk 15 december 2021 vast of al dan niet sprake is van voldoende steun als bedoeld in artikel 5 van Pro de wet. Indien sprake is van voldoende steun, doet het college daarvan zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk 31 december 2021, mededeling in het Gemeenteblad van Waalwijk.”.
2.4.
De artikelen 4 en 5 van de Wet op de bedrijveninvesteringszones (hierna: de Wet), waarnaar in artikel 16 van Pro de Verordening wordt verwezen, luiden als volgt:
Artikel 4
1. De verordening waarbij de BIZ-bijdrage wordt ingesteld treedt niet in werking dan nadat gebleken is van voldoende steun onder de bijdrageplichtigen.
2. Het college van burgemeester en wethouders stelt iedere bij de gemeente bekende bijdrageplichtige na vaststelling van de verordening in de gelegenheid zich schriftelijk voor of tegen inwerkingtreding uit te spreken. In afwijking van het peilmoment, bedoeld in artikel 1, derde en vierde lid, wordt degene die blijkens de bij de gemeente op dat moment bekende gegevens een onroerende zaak in de beoogde bedrijveninvesteringszone gebruikt of daarvan het genot heeft aangemerkt als bijdrageplichtige.
3. Bij de toepassing van het tweede lid zorgt het college van burgemeester en wethouders dat alle bijdrageplichtigen zijn geïnformeerd over de strekking van de verordening.
4. Het college zorgt er voor dat de vertrouwelijkheid van de strekking van de schriftelijke verklaring van de bijdrageplichtige gewaarborgd is.
Artikel 5
1.Van voldoende steun is sprake indien na toepassing van artikel 4 blijkt Pro dat:
a. ten minste de helft van de bijdrageplichtigen zich voor of tegen inwerkingtreding heeft uitgesproken,
b. ten minste tweederde deel daarvan zich vóór inwerkingtreding heeft uitgesproken, en
c. de som van de WOZ waarden, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van onroerende zaken in gebruik bij danwel in eigendom van bijdrageplichtigen die zich hebben uitgesproken vóór inwerkingtreding hoger is dan de som van de WOZ waarden in gebruik bij danwel in eigendom van bijdrageplichtigen die zich hebben uitgesproken tegen inwerkingtreding.
2. In afwijking van het eerste lid blijkt reeds van voldoende steun indien voldaan wordt aan de criteria, bedoeld in dat lid, onder a en b, indien de verordening voorziet in heffing van een voor iedere bijdrageplichtige gelijk bedrag als bedoeld in artikel 2, zesde lid.
3. Indien de BIZ-bijdrage wordt geheven van eigenaren en gebruikers als bedoeld in artikel 1, derde lid, onder c, wordt degene die zowel gebruiker als eigenaar is van een bepaalde onroerende zaak in beide hoedanigheden betrokken bij de vaststelling of sprake is van voldoende steun en is, onverminderd het eerste lid, pas sprake van voldoende steun indien:
a. ten minste de helft van de gebruikers en ten minste de helft van de eigenaren zich voor of tegen inwerkingtreding heeft uitgesproken, en daarvan
b. ten minste de helft van de gebruikers en ten minste de helft van de eigenaren zich vóór inwerkingtreding heeft uitgesproken.”.
2.5.
In artikel 4 van Pro de Verordening is bepaald dat de BIZ-bijdrage zowel wordt geheven van de gebruiker als de eigenaar van een in de bedrijveninvesteringszone gelegen belastingobject.
2.6.
Het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) heeft van 10 oktober 2021 tot 15 november 2021 een draagvlakmeting gehouden. In artikel 2 van Pro het Reglement draagvlakmeting Bedrijveninvesteringszone Centrumgebied Waalwijk 2022-2026 (hierna: het Reglement) is bepaald dat het college de organisatie en uitvoering van de draagvlakmeting opdraagt aan de heffingsambtenaar van Team Vergunningverlening en Belastingen (hierna: de heffingsambtenaar TVB).
2.7.
In de notariële akte van 23 november 2021 getiteld: “proces verbaal constatering uitslag draagvlakmeting in verband met de voorgenomen invoering van een bedrijveninvesteringszone centrumgebied Waalwijk” (hierna: het eerste proces verbaal) is opgenomen dat bij de eerste draagvlakmeting 45% van de gebruikers gestemd heeft, hetgeen niet ten minste de helft van de gebruikers betreft. Verder staat in het eerste proces verbaal dat de heffingsambtenaar TVB naar aanleiding van de eerste draagvlakmeting heeft geconstateerd dat er sprake is van onvoldoende steun en draagvlak onder de bijdrageplichtigen voor de invoering van een Bedrijveninvesteringszone voor het Centrumgebied Waalwijk.
2.8.
Het college heeft van 26 november tot en met 10 december 2021 een tweede draagvlakmeting gehouden. Uit de notariële akte van 14 december 2021 getiteld: “proces verbaal in verband met draagvlakmeting” volgt dat ten minste de helft van de eigenaren en de gebruikers gestemd heeft en daarvan ten minste de helft van de gebruikers en ten minste de helft van de eigenaren vóór invoering van de bedrijveninvesteringszone voor het Centrumgebied Waalwijk heeft gestemd. Naar aanleiding van deze tweede draagkrachtmeting heeft de heffingsambtenaar TVB volgens dit proces verbaal geconstateerd dat er sprake is van voldoende steun en draagvlak onder de bijdrageplichtigen voor invoering van een Bedrijveninvesteringszone voor het Centrumgebied Waalwijk.
2.9.
Op 20 december 2021 is in het gemeenteblad van Waalwijk het volgende gepubliceerd ten aanzien van de uitslag van de draagvlakmeting:

Uitslag draagvlakmeting Bedrijveninvesteringszone (BIZ)
Van 26 november tot en met 10 december 2021 liep er een tweede stemprocedure om het draagvlak voor het instellen van een Bedrijveninvesteringszone (BIZ) te meten.
Op 13 december heeft notaris [notaris] de stemmen geteld. Het College van Waalwijk laat met dit bericht weten dat er voldoende draagvlak is. Dat moet volgens artikel 16, tweede lid, van de Verordening Bedrijveninvesteringszone Centrumgebied Waalwijk 2022-2026.
Een meerderheid van de stemmers heeft vóór een BIZ gestemd in het centrumgebied van Waalwijk. De BIZ wordt per 1 januari 2022 ingevoerd en vervangt de reclamebelasting.
Voorwaarden voor de stemming
Om te kunnen spreken van een geldige uitslag moet de draagvlakmeting voldoen aan 5 voorwaarden. Aan alle voorwaarden is bij de tweede stemronde voldaan. Het percentage geldig uitgebrachte stemmen bedraagt 53,5%. De opkomst onder de gebruikers is 56,4% en onder pandeigenaren 51,2%. Van de uitgebrachte stemmen heeft 72,4% van de pandeigenaren en 81,3% van winkeliers voor invoering van de BIZ gestemd.
De reden van een tweede stemronde
Bij de eerste stemronde, die liep van 10 oktober tot 15 november, werd ook aan alle voorwaarden voldaan. Behalve de opkomst onder gebruikers. Deze was toen 45,0%. Een uitspraak tot een duidelijk “ja” of een duidelijk “nee” was hierdoor niet mogelijk. Daarom is een tweede stemronde gehouden.
De volledige uitslag van beide stemrondes is in te zien op www.waalwijk.nl”.
2.10.
De heffingsambtenaar heeft voor het belastingjaar 2022 aan belanghebbenden ieder afzonderlijk een aanslag BIZ-bijdrage (hierna gezamenlijk: de aanslagen) op grond van de Verordening opgelegd, omdat de onroerende zaken in het aangewezen centrumgebied in de gemeente Waalwijk zijn gelegen.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de aanslagen terecht zijn opgelegd. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de Verordening per 1 januari 2022 in werking is getreden.
Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, dan is niet in geschil dat de aanslagen terecht en naar de juiste hoogte zijn opgelegd. Belanghebbenden hebben ter zitting uitdrukkelijk en ondubbelzinnig verklaard dat zij zich niet meer op het standpunt stellen dat de draagvlakmeting niet eerlijk en transparant is verlopen.
3.2.
Belanghebbenden concluderen tot vernietiging van de aanslagen. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
4.1.
Belanghebbenden stellen zich op het standpunt dat de Verordening niet in werking is getreden omdat uit de eerste draagvlakmeting volgt dat er geen draagvlak was bij de stemgerechtigden en er voor het college geen rechtsgrond aanwezig was voor de tweede draagvlakmeting, nu de tweede draagvlakmeting niet in de Verordening is opgenomen. Volgens belanghebbenden heeft de gemeenteraad zich nooit uitgesproken over een tweede stemronde, de tweede draagvlakmeting is ook niet door de gemeenteraad bekrachtigd in een aanpassing van de Verordening of door vaststelling van een nieuwe Verordening.
4.2.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de Verordening rechtsgeldig in werking is getreden. Aan dit oordeel heeft de rechtbank de volgende motivering ten grondslag gelegd:
“Mocht er een tweede stemronde plaatsvinden?
4.1.
Belanghebbenden stellen dat de Verordening niet in werking is getreden, omdat de daarvoor vereiste draagvlakmeting niet overeenkomstig de regelgeving heeft plaatsgevonden. De aanslagen moeten daarom worden vernietigd. In de kern betogen belanghebbenden dat het college geen tweede stemronde had mogen organiseren, omdat de regelgeving daarin niet expliciet voorziet. De organisatie van een draagvlakmeting is bovendien voorbehouden aan de gemeenteraad. Nu de gemeenteraad zich niet heeft uitgesproken voor een tweede stemronde moet de positieve uitslag daarvan buiten beschouwing blijven, aldus belanghebbenden.
4.2.
De heffingsambtenaar heeft het standpunt ingenomen dat de tweede stemronde noodzakelijk was, omdat aan de eerste stemronde onvoldoende stemgerechtigden hadden deelgenomen.
4.3.
Vast staat dat de gemeenteraad van de gemeente Waalwijk bij Verordening van 30 september 2021 een BIZ-bijdrage heeft ingesteld overeenkomstig artikel 1, eerste en derde lid van de Wet op de bedrijveninvesteringszones (Wet BIZ). Op grond van artikel 4 Wet Pro BIZ treedt een dergelijke Verordening niet eerder in werking dan nadat gebleken is van voldoende steun onder de bijdrageplichtigen (de zogenoemde draagvlakmeting).
4.4.
Uit het proces-verbaal van de op 22 november 2021 gehouden draagvlakmeting blijkt dat minder dan 50% van de bijdrageplichtigen zich voor of tegen de inwerkingtreding van de Verordening heeft uitgesproken. Dit betekent dat de draagvlakmeting onvoldoende resultaat heeft opgeleverd en de uitslag daarvan buiten beschouwing blijft.1 Voor zover belanghebbenden menen dat de uitslag van de stemronde van 22 november 2021 als geldig dient te worden beschouwd, volgt de rechtbank dat standpunt daarom niet.
4.5.
Naar aanleiding van de uitslag heeft het college opnieuw een draagvlakmeting gehouden op 13 december 2021. De rechtbank oordeelt dat die tweede stemronde in overeenstemming met de regelgeving heeft plaatsgevonden. Met de stelling dat het college niet bevoegd was tot het organiseren van de (eerste of) tweede draagvlakmeting miskennen belanghebbenden artikel 16 van Pro de Verordening waarin is bepaald dat de uitvoering van de draagvlakmeting door de gemeenteraad is gedelegeerd aan het college. Dat de mogelijkheid voor een tweede stemronde niet expliciet is opgenomen in de tekst van de Wet BIZ en de Verordening brengt, anders dan belanghebbenden stellen, niet mee dat de mogelijkheid niet bestaat. Gelet op de wetsgeschiedenis heeft de wetgever zelfs rekening gehouden met de mogelijkheid dat meerdere metingen nodig zijn. In de derde alinea van de Memorie van Toelichting staat2:
“Niet altijd blijkt van voldoende steun voor het inwerkingtreden van de verordening. Dit gebrek aan draagvlak kan aanleiding geven tot een nieuwe poging waarbij, met behulp van bijvoorbeeld betere voorlichting, alsnog wordt geprobeerd tot de vereiste steun te komen.”
4.6.
De rechtbank stelt vast dat uit het proces-verbaal van de tweede draagvlakmeting blijkt dat wel wordt voldaan aan de wettelijke vereisten en dat er voldoende steun en draagvlak is onder de bijdrageplichtigen voor de invoering van een Bedrijveninvesteringszone voor het Centrumgebied Waalwijk. Dit betekent dat de op 13 december 2021 gehouden draagvlakmeting rechtsgeldig is georganiseerd door het college en de uitslag voldoet aan de aan artikel 5 van Pro de Wet BIZ gestelde eisen.
(…)
4.10.
De klachten van belanghebbenden tegen onjuiste publicatie van de uitslag van de draagvlakmeting slagen naar het oordeel van de rechtbank evenmin. Artikel 16, tweede lid van de Verordening bepaalt dat het college uiterlijk 31 december 2021 mededeling moet doen van de draagvlakmeting, als uit die uitslag vast is komen te staan dat sprake is van voldoende steun als bedoeld in artikel 5 van Pro de wet BIZ.
4.11.
De rechtbank stelt vast dat pas bij de tweede draagvlakmeting sprake was van voldoende steun in de zin van artikel 5 Wet Pro BIZ. Dit betekent dat alleen die uitslag volgens de Verordening moest worden (vastgelegd en) gepubliceerd. Voornoemde uitslag is op 14 december 2021 vastgelegd door een notaris in een proces-verbaal en op 20 december 2021 gepubliceerd in het Gemeenteblad van Waalwijk.4 Daarmee is naar het oordeel van volgens de rechtbank voldaan aan de Verordening. Dat de uitslag ook is gepubliceerd op de website van de bij de Verordening ingestelde Stichting BIZ (www.bizwaalwijk.nl) maakt dat niet anders.
4.12.
Gelet op voorgaande overwegingen oordeelt de rechtbank dat, nu de (tweede) door het college uitgevoerde draagvlakmeting, in overeenstemming met de wet- en regelgeving, is georganiseerd, de Verordening rechtsgeldig in werking is getreden. Dit betekent dat de aan belanghebbenden opgelegde aanslagen BIZ-bijdrage voor het jaar 2022 terecht zijn opgelegd.”.
Onder vermelding van de volgende voetnoten:
“1 Artikel 5 van Pro de Wet BIZ.
2 Memorie van Toelichting bij de Wet op de bedrijveninvesteringszones, Tweede Kamer, vergaderjaar 2013-2014, 33 917, nr. 3, blz. 7.
3 Zie Memorie van toelichting bij artikel 4 Wet Pro BIZ, waaruit blijkt dat dit artikel ongewijzigd is overgenomen uit de Experimentenwet BGV-zones, Kamerstukken II 2007-2008, 31 430, nr. 3 pag. 21.
4 Gemeenteblad 2021, nr. 46277.”.
4.3.
Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat de Verordening rechtsgeldig in werking is getreden. Het hof acht de overwegingen van de rechtbank, met uitzondering van overweging 4.4., juist en op goede gronden gegeven. Ten aanzien van overweging 4.4. is het hof van oordeel dat de uitslag van de eerste draagvlakmeting wel geldig is. Alleen hield die uitslag in dat er niet voldoende steun voor invoering van een BIZ-bijdrage was, omdat niet werd voldaan aan het quorum van artikel 5, lid 1 in combinatie met lid 3 van de Wet. Maar dat betekent niet dat het college niet een nieuwe draagvlakmeting mag organiseren. Artikel 16 van Pro de Verordening geeft het college een discretionaire bevoegdheid om draagvlakmetingen in de zin van artikel 4 en Pro 5 van de Wet te organiseren. De Verordening verbiedt geen tweede draagvlakmeting. Datzelfde geldt voor de Wet. Een tweede meting is evenmin in strijd met de strekking van de Wet. In de door de rechtbank aangehaalde wetgeschiedenis op de Wet is juist expliciet opgemerkt dat dit mogelijk is. Daarin staat vermeld dat met behulp van bijvoorbeeld betere voorlichting een nieuw poging kan worden ondernomen om alsnog te proberen tot de vereiste steun te komen. De stelling van belanghebbenden in hoger beroep dat de extra aandacht/voorlichting vóórafgaand aan de eerste stemronde had moeten plaatsvinden, faalt dan ook.
Tussenconclusie
4.4.
De slotsom is dat de hoger beroepen ongegrond zijn.
Ten aanzien van het griffierecht
4.5.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.6.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene Pro wet bestuursrecht.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart de hoger beroepen ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door C.W.M.M. Verkoijen, voorzitter, J.C.E. Ackermans-Wijn en M.H. van Schaik, in tegenwoordigheid van E.A.D. Dockx, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
E.A.D. Dockx C.W.M.M. Verkoijen
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.