Belanghebbende exploiteert een park met 35 chalets waarin arbeidsmigranten verblijven. Voor het belastingjaar 2022 zijn aanslagen zuiveringsheffing en toeristenbelasting opgelegd. Belanghebbende betwist de aanslagen en stelt onder meer dat zij niet de gebruiker is van de chalets en dat de aanslagen onjuist zijn berekend.
Het hof overweegt dat op grond van de Waterschapswet en de Verordening zuiveringsheffing degene die een woon- of bedrijfsruimte voor volgtijdig gebruik ter beschikking stelt heffingsplichtig is. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat een ander dan zij de chalets ter beschikking heeft gesteld. De aanslag zuiveringsheffing is daarom terecht opgelegd.
Ten aanzien van de toeristenbelasting geldt dat deze wordt geheven over het aantal overnachtingen van personen die niet in de BRP zijn ingeschreven. Belanghebbende heeft onvoldoende onderbouwd dat het aantal overnachtingen lager moet zijn vastgesteld. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel wordt verworpen omdat geen concrete vergelijkingen zijn gemaakt.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd en het griffierecht wordt niet vergoed.