ECLI:NL:GHSHE:2026:595

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
24/573
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 AwirArt. 9 Wet op de loonbelasting 1964Art. 21c, tweede lid, AWRArt. 3.80 Wet inkomstenbelasting 2001Art. 3.81 Wet inkomstenbelasting 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging juiste vaststelling toetsingsinkomen voor zorgtoeslag inclusief nabetalingen

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vaststelling van het toetsingsinkomen voor de zorgtoeslag 2020, omdat dit volgens hem te hoog was vastgesteld door opname van nabetalingen over voorgaande jaren. De inspecteur stelde dat het toetsingsinkomen gelijk is aan het belastbare loon, inclusief deze nabetalingen, en dat afwijking alleen mogelijk is bij de huurtoeslag via de Belastingdienst/Toeslagen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het hof bevestigt deze uitspraak. Het hof oordeelt dat het toetsingsinkomen volgens de wet gelijk is aan het belastbare loon zoals bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964, en dat nabetalingen die in 2020 zijn ontvangen tot het belastbare loon behoren. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat verschillende regels gelden voor zorg- en huurtoeslag en dit niet in de procedure bij de belastingrechter kan worden behandeld.

Het hof benadrukt dat de uiteindelijke bepaling van de zorgtoeslag aan de Belastingdienst/Toeslagen toekomt en niet aan de inspecteur. De procedure richt zich uitsluitend op de juistheid van het toetsingsinkomen. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard, het griffierecht wordt niet vergoed en er worden geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt dat het toetsingsinkomen voor de zorgtoeslag inclusief nabetalingen juist is vastgesteld.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/573
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van
4 april 2024, nummer BRE 23/2628, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft in de beschikking zorgtoeslag 2020 de hoogte van het toetsingsinkomen van belanghebbende vastgesteld.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank Limburg, sector bestuursrecht. De bestuursrechter van de rechtbank Limburg heeft zich bij uitspraak van 21 april 2023 onbevoegd verklaard en het beroepschrift van belanghebbende doorgezonden naar de rechtbank.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.5.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en zijn gemachtigde [gemachtigde] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende en zijn moeder zijn in 2020 toeslagpartners.
2.2.
Zij ontvangen beiden een uitkering van de gemeente Roermond op basis van de Participatiewet. De jaaropgave 2020 van de gemeente Roermond vermeldt voor belanghebbende een belastbaar loon van € 15.648,67 en voor zijn moeder een belastbaar loon van € 10.104,89. Het belastbaar loon van belanghebbende bestaat voor een deel uit nabetalingen over eerdere jaren.
2.3.
Belanghebbende heeft voor het jaar 2020 geen aangifte inkomensbelasting en premie volksverzekeringen gedaan.
2.4.
De beschikking zorgtoeslag 2020 gaat uit van een toetsingsinkomen van belanghebbende van € 15.648,67 en resulteert in een te betalen bedrag van € 588.
2.5.
De Belastingdienst/Toeslagen heeft aan de moeder van belanghebbende een beschikking huurtoeslag 2020 gegeven. De moeder van belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De Belastingdienst/Toeslagen is tegemoetgekomen aan dit bezwaar. De rechtbank heeft bij uitspraak van 4 april 2024 [1] geoordeeld dat het procesbelang aan de procedure van de moeder van belanghebbende is komen te ontvallen.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
In geschil is of de inspecteur het toetsingsinkomen te hoog heeft vastgesteld.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, vermindering van het toetsingsinkomen met de nabetalingen die zien op de jaren vóór 2020 en toekenning van een proceskostenvergoeding.
3.3.
De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
4.1.
Ter onderbouwing van zijn standpunt voert belanghebbende in hoger beroep aan dat de inspecteur bij de moeder c.q. toeslagpartner van belanghebbende de nabetaling door de gemeente wel aanmerkt als bijzonder inkomen dat buiten beschouwing blijft voor de bepaling van het toetsingsinkomen in de zin van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir). Voor zover de mogelijkheid tot het buiten beschouwing laten van de nabetalingen alleen zou hebben te gelden voor de huurtoeslag en niet voor de zorgtoeslag, is dit onderscheid in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Daarnaast stelt belanghebbende dat het feit dat het toetsingsinkomen als bedoeld in artikel 8 Awir Pro wordt afgeleid uit het belastbaar loon als bedoeld in artikel 9 Wet Pro op de loonbelasting 1964, niet betekent dat het toetsingsinkomen volledig gelijk is te stellen aan het belastbaar loon voor de loonheffingen. Dit brengt mee dat het enkele feit dat loonheffing moet worden ingehouden over het tijdvak waarin de nabetalingen plaatsvinden, niet betekent dat die nabetalingen behoren tot het toetsingsinkomen van dat tijdvak. Het gelijkstellen van het toetsingsinkomen met het belastbaar loon is in strijd met doel en strekking van de wet.
Ter zitting heeft belanghebbende zijn stelling ingetrokken dat geen sprake is geweest van enige nabetalingen en heeft hij aangegeven dat het hof er van uit kan gaan dat de jaaropgaaf, waarop het toetsingsinkomen is gebaseerd, juist is.
4.2.
De inspecteur heeft gesteld dat bij de bepaling van de hoogte van de huurtoeslag onder bepaalde voorwaarden door de Belastingdienst/Toeslagen kan worden afgeweken van het toetsingsinkomen dat door de inspecteur is vastgesteld. Die mogelijkheid om af te wijken bestaat niet voor de zorgtoeslag. Voor zover belanghebbende het niet eens is met het ontbreken van een dergelijke mogelijkheid voor de zorgtoeslag dient deze discussie gevoerd te worden bij de Belastingdienst/Toeslagen, omdat dit niet de juistheid van het toetsingsinkomen betreft. Verder treft het beroep van belanghebbende op het gelijkheidsbeginsel geen doel. Het vraagstuk met betrekking tot de verschillende regels over de zorg- en huurtoeslag heeft geen plaats in de procedure over het toetsingsinkomen. Er is ook geen sprake van ongelijke behandeling van gelijke gevallen, omdat voor de huurtoeslag en de zorgtoeslag verschillende regels gelden. Binnen de zorgtoeslag wordt iedereen gelijk behandeld voor wat betreft het toetsingsinkomen. En ten slotte is het inkomensgegeven in de Awir en de AWR gelijk aan het belastbaar loon als bedoeld in artikel 9 Wet Pro op de loonbelasting 1964. Belanghebbende heeft de nabetalingen in 2020 ontvangen, zodat dit tot het belastbaar loon in 2020 behoort, aldus nog steeds de inspecteur.
4.3.
De rechtbank heeft het volgende overwogen en geoordeeld:
“4. Het toetsingsinkomen is in dit geval gelijk aan het belastbare loon, en dat is de bruto uitkering op grond van de Participatiewet die belanghebbende in 2020 heeft ontvangen, dus inclusief de nabetaling. Bij het bepalen van het belastbare loon zijn de regels van de loon- en inkomstenbelasting van toepassing [
voetnoot 2: Artikel 21c, tweede lid, van de AWR] en die staan niet toe een betaling buiten aanmerking te laten, ook niet als het een nabetaling is van voorgaande jaren. Op basis van de regels van de loon- en inkomstenbelasting behoren tot het belastbare loon in 2020 dus zowel de uitkering als de nabetalingen van de gemeente Roermond (zie 3.1.) [
voetnoot 3: Artikel 3.80 en 3.81 van de Wet inkomstenbelasting 2001 in samenhang met artikel 13a van de Wet op de loonbelasting 1964]. Daar is de inspecteur ook van uitgegaan. Het toetsingsinkomen is dus niet te hoog vastgesteld.
4.1.
Het is uiteindelijk aan Belastingdienst/Toeslagen, en niet aan de inspecteur, om de hoogte van de zorgtoeslag te bepalen. Ter zitting heeft de gemachtigde aangegeven dat Belastingdienst/Toeslagen inmiddels op het bezwaar van belanghebbende tegen de hoogte van de zorgtoeslag in 2020 heeft beslist. Deze zaak gaat niet over die beslissing. De rechtbank kan daar in deze procedure dan ook verder niets over zeggen.
4.2.
De gemachtigde heeft ter zitting nog aangegeven dat belanghebbende zich door de fout van de gemeente Roermond benadeeld voelt. De vraag of de nabetalingen tot onredelijke gevolgen leiden voor wat betreft de toeslagen kan in deze procedure bij de belastingrechter echter niet aan de orde komen.”
4.4.
Het hof acht deze overwegingen van de rechtbank juist en op goede gronden gegeven en bevestigt deze. Gelet op hetgeen belanghebbende in hoger beroep heeft aangevoerd, voegt het hof daar nog aan toe dat ook het beroep van belanghebbende op het gelijkheidsbeginsel niet kan slagen, alleen al omdat dit een aangelegenheid betreft die gaat over de hoogte van de zorgtoeslag en daarvoor is in deze procedure bij de belastingrechter geen plaats.
Tussenconclusie
4.5.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is, wat betekent dat het gelijk aan de inspecteur is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.6.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.7.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene Pro wet bestuursrecht.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door T.A. Gladpootjes, voorzitter, W.W. Monteiro en M.H. van Schaik, in tegenwoordigheid van A. Muller, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
A. Muller T.A. Gladpootjes
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.