ECLI:NL:GHSHE:2026:298

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
20-001386-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36b SrArt. 36d SrArt. 45 SrArt. 47 SrArt. 63 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep poging diefstal met braak door twee of meer verenigde personen

Op 9 maart 2025 werd verdachte samen met een medeverdachte op heterdaad betrapt bij een poging tot diefstal op het terrein van een bedrijf in Roosendaal. Zij waren over het hek geklommen en hadden met gereedschap verzegelingen van trailers doorgeknipt, maar de diefstal werd verijdeld door snel optreden van beveiliging en politie.

De politierechter veroordeelde verdachte tot 3 maanden gevangenisstraf, maar het hof vernietigde dit vonnis wegens onvoldoende motivering en verklaarde het tenlastegelegde bewezen. Het hof oordeelde dat verdachte zich schuldig had gemaakt aan medeplegen van poging tot diefstal door inklimming en verbreking.

De verdediging voerde vrijspraak en een strafmaatverweer aan, maar het hof verwierp deze verweren. Het strafblad van verdachte, met eerdere soortgelijke veroordelingen, en de ernst van het feit maakten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. Het hof legde een gevangenisstraf van 4 maanden op met aftrek van voorarrest.

Daarnaast werd de in beslag genomen hennep onttrokken aan het verkeer. De uitspraak werd op 27 januari 2026 door het hof 's-Hertogenbosch gewezen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 4 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest voor medeplegen poging diefstal met braak.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001386-25
Uitspraak : 27 januari 2026
TEGENSPRAAK (ex artikel 279 Sv Pro)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 27 mei 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-072158-25 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1991,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van “
poging diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel braak” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met aftrek van voorarrest.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen, nu het een aantekening mondeling vonnis betreft en, opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur 4 maanden met aftrek van voorarrest. De in beslag genomen hennep dient te worden onttrokken aan het verkeer, aldus de advocaat-generaal.
De raadsman van de verdachte heeft primair vrijspraak bepleit en subsidiair een strafmaatverweer gevoerd. Ten aanzien van het beslag heeft de raadsman zich aangesloten bij het standpunt van de advocaat-generaal.
Het vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 9 maart 2025 te Roosendaal ( [adres 2] ) tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om een of meerdere goed(eren) van hun/zijn gading, in elk geval enig(e) goed(eren), die/dat geheel of ten dele aan [benadeelde] en/of [bedrijf 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n), weg te nemen (in/uit/vanaf een of meerdere trailers die zich bevonden op het aldaar gelegen bedrijfsterrein) met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder hun/zijn bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming
over een hekwerk is/zijn geklommen en/of zich vervolgens toegang heeft/hebben verschaft tot dat terrein en/of een of meerdere schroevendraaiers en/of
een betonschaar ter hand heeft/hebben genomen en/of met zich mee heeft/hebben gevoerd en/of
(daarmee) naar een of meerdere trailers is/zijn gelopen en/of
(met die schroevendraaiers en/of die betonschaar een of meerdere zegels van (een aantal van) die trailers heeft/hebben doorgeknipt en/of heeft/hebben verbroken en/of
een of meerdere deuren van (een aantal van) die trailers heeft/hebben geopend en/of
in (een aantal van) die geopende trailers zoekend heeft /hebben rondgekeken naar een of meerdere goederen (van hun/zijn gading),
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 9 maart 2025 te Roosendaal ( [adres 2] ) tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om een of meerdere goed(eren) van hun gading die aan [bedrijf 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte of zijn mededaders toebehoorde(n), weg te nemen (in/uit/vanaf een of meerdere trailers die zich bevonden op het aldaar gelegen bedrijfsterrein) met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en die/dat weg te nemen goed(eren) onder hun bereik te brengen door middel van inklimming en verbreking
over een hekwerk is/zijn geklommen en zich vervolgens toegang heeft/hebben verschaft tot dat terrein en/of schroevendraaiers en/of
een betonschaar ter hand heeft/hebben genomen en/of met zich mee heeft/hebben gevoerd en/of
(daarmee) naar een trailers is/zijn gelopen en/of
(met die schroevendraaiers en/of die betonschaar zegels van trailers heeft/hebben doorgeknipt en/of heeft/hebben verbroken en/of
een of meerdere deuren van (een aantal van) die trailers heeft/hebben geopend
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het proces-verbaal van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, op ambtsbelofte opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , hoofdagent van politie, registratienummer: PL2000-2025060084, gesloten 14 maart 2025, bevattende een verzameling van op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde dossierpagina’s 1 tot en met 96. De inhoud van de hierna opgenomen bewijsmiddelen is daar waar nodig samengevat weergegeven.
1.
Het proces-verbaal van relaas van verbalisant [verbalisant 1] , hoofdagent van politie Eenheid Zeeland-West-Brabant d.d. 14 maart 2025 (dossierpagina’s 3-5), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant:
Naar aanleiding van de melding van een getuige die werkzaam is bij de beveiliging van [bedrijf 1] werden er eenheden aangestuurd om naar [adres 2] en [adres 3] te gaan. Daar waren mensen op beveiligingscamera’s te zien die op het terrein waren geklommen. Op dit terrein zijn eerder al uithalers aangehouden waardoor er snel op werd ingezet vanuit de meldkamer. De eenheden troffen twee mannen aan op [adres 3] . De twee mannen zaten onder de modder. De derde persoon die er bij betrokken was is niet aangetroffen en is onbekend gebleven.
2.
Het proces-verbaal van aangifte d.d. 9 maart 2025 (dossierpagina’s 7-9), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [benadeelde] – naar het hof begrijpt – namens het slachtoffer [bedrijf 1] :
Plaats delict: [adres 2]
Pleegdatum/tijd: 9 maart 2025 om 01:48 uur
Ik doe aangifte van poging bedrijfsinbraak van mijn bedrijf aan [adres 2] . Ik heb niemand toestemming gegeven om dit te doen. Ook had niemand hier het recht toe. Voor de verdere informatie en het verhaal verwijs ik naar de getuigenverklaring die is opgenomen van de beveiliging die die nacht in dienst was, meneer [getuige] . (
Hof: zie hierna bewijsmiddel 2)
3.
Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 9 maart 2025 (dossierpagina’s 10-12), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige] :
Op zondag 9 maart omstreeks 01.45 uur was ik aan het werk bij de [bedrijf 2] . Afgelopen nacht was ik klaar met mijn surveillance. Ik stond met een collega in het hok waar ook de camerabeelden te zien zijn. Dat is bij de entree van [bedrijf 1] , bij de slagbomen. Ineens zag ik via de camerabeelden in mijn ooghoek drie personen aan komen lopen. Zij kwamen aangelopen via de straat waar het witte busje geparkeerd stond, dat is op de camerabeelden te zien. [adres 3] betreft die straat. Ik zag al vrij snel dat één van die drie personen over het hek klom. Ik zag dat deze persoon over het hek van [bedrijf 1] klom. Vervolgens zag ik, nadat de eerste persoon over het hek was geklommen, dat er nog een persoon over het hekwerk klom. De straat waar je in rijdt bij [de] ingang, daar moet je langs dezelfde weg eruit. Ik hoorde later van mijn collega dat twee personen op het terrein van [bedrijf 1] hebben gekeken en een trailer hadden open gemaakt. Na ongeveer 2 à 3 minuten dat ik de politie had gebeld, was de politie er. Dus die personen hebben ongeveer maar 2 of 3 minuten op het terrein rond gelopen.
4.
Het proces-verbaal van aanhouding verdachte d.d. 9 maart 2025 (dossierpagina’s 13-15), voor zover inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] :
Op zondag 9 maart 2025 om 02:24 uur, werd door ons op de locatie [adres 3] , aangehouden als verdachte:

Verdachte

Achternaam : [verdachte]
Voornamen : [verdachte]
Geboren : [geboortedag 1] 1991
Geboorteplaats : [geboorteplaats 1] in Nederland
5.
Het proces-verbaal van aanhouding verdachte d.d. 9 maart 2025 (dossierpagina’s 32-34), voor zover inhoudenede als relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] :
Op zondag 9 maart 2025 om 02:24 uur, werd door ons op de locatie [adres 3] , aangehouden als verdachte:

Verdachte

Achternaam : [medeverdachte]
Voornamen : [medeverdachte]
Geboren : [geboortedag 2] 2004
Geboorteplaats : [geboorteplaats 2] in Nederland
6.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 maart 2025 (dossierpagina’s 59-61), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] :
Op zondag 9 maart 2025 omstreeks 01.48 uur kregen wij opdracht van het Operationeel Centrum Bergen op Zoom te gaan naar [adres 2] . Op bovengenoemde locatie zou door beveiliging via camerabeelden te zien zijn dat er twee personen op het terrein van [bedrijf 1] liepen en één persoon op de uitkijk stond. Hierop zijn wij ter plaatse gegaan. Omstreeks 01.54 uur kwamen wij ter plaatse bij de opslaglocatie van [bedrijf 1] . Aan de zijde van [adres 3] , zagen wij dat de collega’s een man staande hadden welke aan het verspreide signalement voldeed. De man bleek later te zijn: [verdachte] Geboren [geboortedag 1] te [geboorteplaats 1] . Omstreeks 02.10 uur hoorden wij van collega’s ZB2201 dat er een man achter een bestelbus vandaan kwam op dat eerdergenoemde terrein. De man bleek later te zijn: [medeverdachte] Geboren [geboortedag 2] te [geboorteplaats 2] .
Vervolgens vroeg ik, verbalisant [verbalisant 3] , aan de eerder genoemde collega achter welke bus [medeverdachte] vandaan kwam. Ik zag dat die collega naar een geparkeerde witte Volkswagen Crafter bestelbus wees. Ik, verbalisant [verbalisant 3] , deed onderzoek in de omgeving en trof onder die bestelbus een betonschaar aan. Gezien dat [medeverdachte] eerder van die locatie vandaan kwam, vermoedde ik dat die betonschaar van hem was. Ik, verbalisant [verbalisant 3] , nam vervolgens die betonschaar in beslag. Om 02.24 uur hoorden wij dat een collega van de ZB2203 via de portofoon doorgaf dat er daadwerkelijk 3 containers op het terrein van [bedrijf 1] waren opengebroken. Gezien de feiten en omstandigheden merkten wij de eerder genoemde personen aan als verdachten van een poging tot het plegen van een gekwalificeerde diefstal uit een bedrijf(terrein). Beide verdachten werden zodoende door ons op heterdaad aangehouden.
Bij de transportfouillering van verdachte [medeverdachte] , trof ik, verbalisant [verbalisant 3] , zowel in zijn linker broekzak als in een nektasje een platbekschroevendraaier aan. Beide schroevendraaiers nam ik in beslag.
7.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 maart 2025 (dossierpagina’s 62-64), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
Op zondag 9 maart 2025 omstreeks 02.00 uur was ik verbalisant [verbalisant 1] samen met agent
[verbalisant 6] . Wij waren oproepbaar onder het roepnummer ZB2203. Omstreeks 02.00 uur reden wij op de A17 toen er een melding binnenkwam van een mogelijke ladingdiefstal aan [adres 2] bij het bedrijf [bedrijf 1] . Wij reden in de buurt en boden ons aan om een vluchtroute dicht te zetten. Wij reden over de [adres 2] en zetten de in en uitgang van de straat [adres 3] dicht voor al het verkeer wat er in en uit ging. Tijdens de tijd dat wij daar stonden was er niemand die er in of uit reed behalve eigen personeel van de politie. Wij werden na enige tijd gestuurd om naar de beveiliging te gaan van [bedrijf 1] voor het veiligstellen van de camerabeelden van de beveiligingscamera’s. De beelden hebben wij opgenomen middels de telefoon en opgeslagen. Op de beelden is te zien hoe een drietal mannen over de [adres 3] loopt. Een van hen blijft achter een bus staan en de andere twee klimmen over het hek van [bedrijf 1] . Eenmaal over het hek trekken zij een aantal trailers op[en] en kijken erin.
Aan de hand van de bekeken beelden zijn wij het bedrijven terrein opgelopen en hebben wij gekeken bij de geopende trailers. Wij troffen daar een aantal doorgeknipte verzegelingen aan naast de geopende trailers. Die verzegelingen lagen enkel bij de geopende trailers en verder nergens anders bij een trailer.
8.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 maart 2025 (dossierpagina’s 65-67), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 4] :
Op zondag 9 maart 2025 omstreeks 01.45 uur was ik, verbalisant [verbalisant 4] ,
samen met [verbalisant 5] . Wij hadden roepnummer ZB2201. Omstreeks 01.50 uur kregen wij de opdracht van het operationeel centrum om te gaan naar [adres 3] . Daar zou een heterdaad inbraak gaande zijn op het terrein van [bedrijf 1] . Op zondag 9 maart 2025 omstreeks 01.50 uur reden wij de [adres 2] op, komende vanuit de [straatnaam] . Ik hoorde op de portofoon dat er meerdere eenheden waren aangestuurd, die een aanrijtijd hadden van ongeveer 3 minuten. Ik zag dat er twee auto’s van de [bedrijf 2] langs ons reden met lage snelheid. Ik hoorde dat de bestuurder van een van deze auto’s zei dat er een heterdaad inbraak was op het terrein. Ik hoorde dat hij zei dat we via de [adres 3] naar de zijkant van het bedrijfsterrein moesten rijden, om de personen te kunnen afvangen. Op zondag 9 maart 2025 omstreeks 01.55 uur reden we de [adres 3] op, in de richting van het bedrijfsterrein van [bedrijf 1] . Ter hoogte van [adres 3] 10b zag ik een man lopen. Ik hield hem staande om zijn identiteit vast te stellen. De man was [verdachte] , geboren op [geboortedag 1] 1991. Toen er een van de hondengeleiders, die het terrein hadden doorzocht, het bedrijfsterrein van [adres 3] opliep, kwam er ineens een lange, tengere jongen achter een bus vandaan. De bus stond voor het bedrijfspand op [adres 3] . Er was ongeveer 70 centimeter tussen de parallel aan het gebouw geparkeerde bus en de gevel. Ik zag dat de jongen een identiteitsbewijs aan [verbalisant 5] gaf. Ik hoorde dat de jongen [medeverdachte] , geboren op [geboortedag 2] 2025 (het hof begrijpt: [geboortedag 2] 2004), was. De ZB0505 trof achter de bus, waar de jongen vandaan was gekomen, een grote blauwe betonschaar aan, op de grond.
Bewijsoverwegingen
I.
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
II.
De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit. Daartoe heeft de raadsman – in de kern weergegeven en op de gronden, zoals nader in de pleitnota verwoord – aangevoerd dat het wettig en overtuigend bewijs van betrokkenheid van de verdachte bij de tenlastegelegde diefstal tekortschiet. Zo is de verdachte op een afstand van 750 meter van het bedrijfsterrein staande gehouden en niet kan worden vastgesteld dat hij op het bedrijfsterrein is geweest. Daarnaast heeft de verdachte een alternatieve verklaring gegeven voor zijn aanwezigheid in de nabijheid van het bedrijfsterrein. Ten slotte heeft de raadsman betoogd dat het bewijs voor medeplegen tekortschiet.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt voorop dat voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. (vgl. HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474; ECLI:NL:HR:2016:1316 en HR 14 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:394).
De rechter mag, indien de verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend kan worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven, zulks in zijn overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal betrekken. Indien de verdachte kort na een diefstal wordt aangetroffen in omstandigheden die op betrokkenheid bij het strafbare feit duiden, kan sprake zijn van een situatie waarin het uitblijven van een aannemelijke verklaring van de verdachte van belang is voor de beantwoording van de vraag of te zijnen laste medeplegen kan worden bewezen. Dit geldt zowel in een geval waarin met betrekking tot de toedracht van de diefstal wel kan worden vastgesteld dat deze door verenigde personen is begaan, maar niet direct door wie precies, als in een geval waarin met betrekking tot de toedracht van de diefstal niet is vastgesteld dat deze door medeplegers is begaan, maar dat zich wel kenmerkt door de omstandigheid dat de verdachte kort na de diefstal met een ander of anderen wordt aangetroffen in omstandigheden die op betrokkenheid bij de diefstal duiden, terwijl geen contra-indicaties met betrekking tot het medeplegen door de verdachte bestaan (vgl. HR 28 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:3022 en HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:967).
In het licht van bovenstaande vooropstelling stelt het hof op basis van de gebezigde bewijsmiddelen en de inhoud van het dossier de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 9 maart 2025 omstreeks 01.45 uur wordt door de beveiliging van het bedrijf [bedrijf 1] gevestigd aan het adres [adres 2] op camerabeelden waargenomen dat er drie personen aan komen lopen vanaf de [adres 3] , alwaar een wit busje geparkeerd staat. Blijkens een still van de camerabeelden lopen deze personen samen (pg. 78). Op de camerabeelden wordt vervolgens door de beveiliging gezien dat twee van de drie personen over het hek van het bedrijfsterrein van [bedrijf 1] klimmen en het terrein betreden. Vrijwel onmiddellijk wordt door de beveiliging de politie gebeld, waarop meerdere politie-eenheden worden aangestuurd om ter plaatse te gaan. De aanrijdtijd van de politie bedraagt enkele minuten. Omstreeks 01.50 uur arriveren verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] . Zij rijden op de [adres 2] , wanneer zij twee auto’s van het beveiligingsbedrijf passeren en zij worden door een beveiligingsmedewerker verzocht om via de [adres 3] in de richting van het bedrijfsterrein van [bedrijf 1] te rijden, teneinde de verdachten af te vangen. Omstreeks 01.55 uur zien voornoemde verbalisanten ter hoogte van de [adres 3] een man lopen. Deze man wordt staande gehouden. Het blijkt te gaan om de verdachte. Op het moment dat een van de hondengeleiders, die eerst het bedrijfsterrein van [bedrijf 1] heeft doorzocht, het bedrijfsterrein aan de [adres 3] opgaat, komt er plotseling achter een bus een tweede man tevoorschijn. Het betreft de medeverdachte [medeverdachte] . Op de grond achter de bus waar de medeverdachte zich had verstopt, wordt een betonschaar aangetroffen. In de fouillering van [medeverdachte] worden twee platbekschroevendraaiers aangetroffen. In de tussentijd, omstreeks 01.54 uur, zijn ook verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] ter plaatse gekomen bij [bedrijf 1] en hebben zij zich aangesloten bij de zoektocht naar mogelijke verdachten in de omgeving. Omstreeks 02.00 uur zijn eveneens verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 6] gearriveerd en zij zetten de in- en uitgang van de [adres 3] dicht voor al het verkeer. In de tijd dat zij deze enige toegangsweg hebben bewaakt, zijn er door hen of door andere verbalisanten - naast de verdachte en de medeverdachte - geen andere personen of voertuigen waargenomen of aangetroffen. Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 6] hebben de camerabeelden bij [bedrijf 1] bekeken en daarop hebben zij waargenomen dat twee personen op het bedrijfsterrein meerdere trailers openen. Op de grond bij de geopende trailers hebben de verbalisanten doorgeknipte verzegelingen aangetroffen. Deze lagen enkel bij de geopende trailers.
Het hof is van oordeel dat voormelde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang en (tijds)verband bezien, redengevend geacht moet worden voor het bewijs van het tenlastegelegde. Het hof wijst daartoe in het bijzonder op het zeer korte tijdsbestek tussen de melding van de beveiliging (omstreeks 01.45 uur) en de staandehouding van de verdachte en de medeverdachte door de politie (ongeveer 01.55 uur) van ongeveer 10 minuten, in min of meer de directe omgeving van het bedrijfsterrein van [bedrijf 1] , zulks bovendien in elkaars directe nabijheid ter hoogte van hetzelfde perceel, waarbij een medeverdachte zich aldaar achter een bus had verstopt. Op de plek waar hij zich had verstopt, is een betonschaar aangetroffen en ook had de medeverdachte twee schroevendraaiers bij zich. Gebleken is dat van meerdere trailers op het terrein van [bedrijf 1] de zegels waren doorgeknipt en die trailers waren geopend. Het hof heeft in dit verband voorts nog in aanmerking genomen dat de verdachte en de medeverdachte zijn aangetroffen op de enige toegangsweg naar het bedrijfsterrein, welke toegangsweg, de [adres 3] , (en directe omgeving) vrijwel onmiddellijk na de melding door de politie en de beveiliging is afgezet en werd bewaakt en anders dan de verdachte en de medeverdachte zijn er geen andere personen of voertuigen – ondanks uitgebreide zoekslagen van de politie – aangetroffen.
De verdachte noch zijn medeverdachte hebben met betrekking tot de verdenking en of voormelde feiten en omstandigheden een verklaring afgelegd. De verdachte heeft bij diens staandehouding enkel verklaard dat hij bij een vriendin was geweest, dat hij daar was weggestuurd en dat hij door een maat zou worden opgehaald. De verdachte wilde nadien niet uit diens cel komen om door de politie gehoord te worden.
Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden, die op zichzelf en in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend geacht moeten worden voor het bewijs van het aan de verdachte tenlastegelegde feit, mocht van de verdachte een aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring worden verlangd. De summiere verklaring van de verdachte afgelegd bij diens staandehouding kan niet als een dergelijke verklaring worden aangemerkt. De enkele en bovendien op geen enkele wijze onderbouwde of verifieerbare verklaring van de verdachte dat hij vanwege een ruzie bij een vriendin zou zijn weggestuurd en door een maat zou worden opgehaald, acht het hof ongeloofwaardig in het licht van al het vorenstaande, alsmede vanwege de omstandigheid dat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, het volstrekt onaannemelijk is te achten dat de verdachte in het holst van de nacht (omstreeks 01:50 uur) vanwege een ruzie op het desbetreffende en afgelegen industrieterrein in een andere stad dan waar hij woont, modderig is, is terechtgekomen en daar vervolgens door een niet nader genoemde persoon zou worden opgehaald.
Resumerend acht het hof op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden en het uitblijven van een aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring – waar dat naar het oordeel van het hof wel van de verdachte mocht worden verwacht – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich tezamen en in vereniging met anderen schuldig heeft gemaakt aan poging tot diefstal, zulks op de wijze als in de bewezenverklaring staat vermeld.
De verweren van de verdediging worden derhalve verworpen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
De advocaat-generaal vordert de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met aftrek van voorarrest.
De raadsman van de verdachte heeft – naar het hof begrijpt – onder verwijzing naar de omstandigheid dat de verdachte thans een positieve wending aan zijn leven heeft gegeven, alsmede dat het een poging tot diefstal betreft, bepleit dat het hof de gevorderde gevangenisstraf van 4 maanden zal matigen.
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich tezamen en in vereniging met anderen schuldig heeft gemaakt aan poging tot diefstal, waarbij de verdachten zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van inklimming en gepoogd hebben de weg te nemen goederen onder hun bereik te brengen door middel van verbreking. In het holst van de nacht zijn de verdachten over het hek van het bedrijfsterrein van [bedrijf 1] in Roosendaal heen geklommen en hebben zij met behulp van een betonschaar zegels van meerdere trailers doorgeknipt en deze geopend, met de bedoeling om de (mogelijk) daarin aanwezige goederen weg te nemen. Dat de diefstal slechts bij een poging is gebleven, is niet te danken aan de verdachten, doch aan het kordate optreden van (de beveiliging en) de politie, die na een melding van de beveiliging direct ter plaatse is gegaan. Door te handelen zoals is bewezenverklaard, heeft de verdachte zich geen enkele rekenschap gegeven van de belangen van het slachtoffer en inbreuk gemaakt op haar eigendomsrecht. Daarbij komt dat in gevallen als deze, waarbij er sprake is van een poging tot diefstal welke gepaard gaat met verbreking, veelal sprake is van schade aan de goederen van de eigenaren. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft ten nadele van de verdachte acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 12 november 2025, betreffende het justitiële verleden van de verdachte, uit welk uittreksel blijkt dat de verdachte eerder veelvuldig onherroepelijk wegens strafbare feiten is veroordeeld, waaronder in 2023 twee keer ter zake van soortgelijke feiten als het onderhavige. Deze veroordelingen hebben de verdachte er klaarblijkelijk niet van weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen.
Het hof heeft voorts gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan gedurende het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Het hof is van oordeel dat, in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, het justitiële verleden van de verdachte en in verband met een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die de onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Alles afwegende acht het hof, met de advocaat-generaal, de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden. In hetgeen de raadsman bij wijze van strafmaatverweer naar voren heeft gebracht, ziet het hof geen grond om tot een lagere strafoplegging te komen, zulks in het bijzonder gelet op verdachtes strafblad.
Beslag
Bij gelegenheid van het vooronderzoek is onder de verdachte een hoeveelheid hennep in beslag genomen.
Het hof zal de hennep onttrekken aan verkeer, aangezien dit aan de verdachte toebehorende voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 36b, 36d, 45, 47, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
4 (vier) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
beveelt de
onttrekking aan het verkeervan het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: 1 STK Hennep (Omschrijving: PL2000-2025060084-G2835874).
Aldus gewezen door:
mr. S. Riemens, voorzitter,
mr. J. Platschorre en mr. K.J. van Dijk, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. T.S. Vos, griffier,
en op 27 januari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.