ECLI:NL:GHSHE:2026:27

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
20-001728-24
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 Wet wapens en munitieArt. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 13a OpiumwetArt. 9 Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep: taakstraf voor bezit taser en cocaïne, vrijspraak voor hagelgeweer

In hoger beroep is de verdachte veroordeeld voor het handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (bezit van een taser) en het opzettelijk handelen in strijd met artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet (bezit van cocaïne). De politierechter had eerder een gevangenisstraf van zes maanden opgelegd, maar het hof vernietigde dit vonnis vanwege onvoldoende motivering en beperkte de bewezenverklaring.

De verdediging pleitte voor partiële vrijspraak van het bezit van het hagelgeweer, omdat niet kon worden vastgesteld dat de verdachte zich bewust was van het wapen. Het hof volgde dit standpunt en sprak de verdachte vrij van dit onderdeel. Voor het bezit van de taser en cocaïne achtte het hof de bewijsvoering wel overtuigend, mede gelet op de machtssfeer van de verdachte en de zichtbaarheid van de kluis met drugs.

De strafmaat werd bepaald op een taakstraf van 80 uur, subsidiair 40 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Het hof hield rekening met de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en landelijke oriëntatiepunten. De inbeslaggenomen wapens en drugs werden onttrokken aan het verkeer, behalve een honkbalknuppel die aan de verdachte werd teruggegeven.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 80 uur taakstraf voor bezit taser en cocaïne, vrijspraak voor bezit hagelgeweer.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001728-24
Uitspraak : 8 januari 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 9 mei 2022, in de strafzaak met parketnummer 02-269895-21 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,
volgens opgave van de verdachte ter terechtzitting wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie’ (feit 1) en ‘opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod’ (feit 2) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van het voorarrest. Voorts heeft de politierechter de inbeslaggenomen goederen onttrokken aan het verkeer.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen, en opnieuw rechtdoende, de tenlastegelegde feiten bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met aftrek van het voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal ten aanzien van het beslag gevorderd dat het hof de inbeslaggenomen goederen zal onttrekken aan het verkeer.
De verdediging heeft ten aanzien van het onder feit 1 tenlastegelegde partiële vrijspraak bepleit, namelijk voor zover het tenlastegelegde betrekking heeft op het voorhanden hebben van het hagelgeweer. De verdediging heeft tevens vrijspraak bepleit van het onder feit 2 tenlastegelegde. Voorts heeft de verdediging een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, reeds omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 29 september 2021 te Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand,
  • een wapen van categorie II, onder 3, van de Wet wapens en munitie, te weten een enkelloops opvouwbaar hagelgeweer van het merk Pietro Beretto, type 412, kaliber .410 (=10,4 mm), en/of
  • een wapen van categorie II, onder 5, van de Wet wapens en munitie, te weten een taser, zijnde een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos konden worden gemaakt of pijn kon worden toegebracht, voorhanden heeft gehad.
2.
hij op of omstreeks 29 september 2021 te Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 27,96 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Partiële vrijspraak ten aanzien van het onder feit 1 tenlastegelegde
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van het onder feit 1 tenlastegelegde, namelijk voor zover het tenlastegelegde betrekking heeft op het voorhanden hebben van het hagelgeweer. Ter onderbouwing daarvan heeft de verdediging – op gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van het hagelgeweer en daarover kon beschikken. Het enkele feit dat de verdachte de bewoner was van de betreffende woning is daarvoor, onder deze specifieke omstandigheden, niet voldoende, aldus de verdediging. In dat kader heeft de verdediging in het bijzonder gewezen op het feit dat gelet op de inhoud van het procesdossier onduidelijk zou zijn waar het hagelgeweer exact is aangetroffen en de omstandigheid dat er naast de verdachte nog ten minste twee andere personen toegang zouden hebben gehad tot de woning. De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte voorafgaand aan het binnentreden door de politie in de woning opgenomen zou zijn geweest in het ziekenhuis en tijdens het verblijf van de verdachte in het ziekenhuis zouden deze personen de woning binnengegaan kunnen zijn. Op het moment dat de politie binnentrad in de woning was de verdachte aan het revalideren van de medische ingreep.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het procesdossier blijkt dat verbalisant [verbalisant 1] en de toezichthouder van de gemeente Loon op Zand, [verbalisant 2] , op 29 september 2021 een BRP-controle hebben uitgevoerd bij de woning aan [adres 2] . De BRP-controle werd verricht naar aanleiding van een melding van de woningbouwcoöperatie [bedrijf] . In de woning werden drie mannen aangetroffen, te weten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en de verdachte. De verdachte en [medeverdachte 1] gaven desgevraagd te kennen dat zij woonachtig waren in de woning. Verbalisant [verbalisant 1] zag op de tafel in de woonkamer een stroomstootwapen liggen en kort daarna werden de drie mannen aangehouden voor het bezit van een stroomstootwapen. Vervolgens zag verbalisant [verbalisant 1] op verscheidene plekken in de woonkamer wapens liggen. Nadat de drie mannen waren overgebracht naar het cellencomplex, kwam de hulpofficier van justitie ter plaatse en werd er een machtiging tot binnentreden uitgevaardigd om een doorzoeking te starten op grond van de Wet wapens en munitie. Vervolgens werden het desbetreffende geweer en een aantal andere goederen aangetroffen in de woning.
Het hof stelt voorop dat voor een veroordeling wegens het voorhanden hebben van een wapen of munitie in de zin van artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie allereerst is vereist dat de verdachte een wapen of munitie bewust aanwezig heeft gehad. De in de rechtspraak van de Hoge Raad in dit verband gebruikte aanduiding van “een meerdere of mindere mate” van bewustheid geeft aan dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het wapen. Die bewustheid hoeft zich niet uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van het wapen of de munitie of tot de exacte locatie van dat wapen of die munitie. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad. Verder is voor de bewezenverklaring van dat voorhanden hebben nodig dat de verdachte feitelijke macht over het wapen of de munitie heeft kunnen uitoefenen in de zin dat hij daarover heeft kunnen beschikken. Daarvoor hoeft het wapen of de munitie zich niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden.
Het hof is van oordeel dat op grond van het procesdossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte het wapen bewust aanwezig heeft gehad. De verdachte en [medeverdachte 1] hebben desgevraagd aan toezichthouder [verbalisant 2] te kennen gegeven dat zij in de woning woonden. De verhuurster van de woning, [betrokkene] , heeft ten overstaan van de politie verklaard dat zij de woning met ingang van 1 september 2021 aan de verdachte heeft verhuurd. De verdachte zou samen met [medeverdachte 1] (
het hof begrijpt: [medeverdachte 1]) woonachtig zijn geweest in de woning. Ten overstaan van de raadsheer-commissaris heeft de verhuurster gepersisteerd bij de verklaring die zij eerder heeft afgelegd. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep ten overstaan van het hof verklaard dat hij de woning aan [adres 2] heeft gehuurd samen met een vriend. Het hof ziet, gelet op de inhoud van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting, voldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat de woning nog door minimaal één andere persoon dan de verdachte werd bewoond.
De verdediging heeft, onder overlegging van de medische gegevens, aangevoerd dat de verdachte in de periode van [periode] voor een medische ingreep opgenomen is geweest in het ziekenhuis en dat de verdachte gedurende dit tijdsbestek geen toegang tot de woning heeft gehad. Voorts zouden er ten minste twee andere personen toegang hebben gehad tot de woning gedurende deze periode.
Het hof is van oordeel dat de omstandigheid dat er een andere persoon woonachtig was in de woning en er minimaal twee andere personen toegang hebben gehad tot de woning gedurende deze periode, een contra-indicatie vormt om aan te nemen dat – het niet anders kan zijn dan dat – de verdachte zich bewust is geweest van de aanwezigheid van het wapen.
In dat verband acht het hof in het bijzonder van belang dat op grond van de inhoud van het procesdossier niet kan worden vastgesteld op welke plek het wapen exact is aangetroffen. Uit het relaas blijkt dat het geweer zou zijn aangetroffen in de woonkamer. Echter blijkt uit de kennisgeving van inbeslagneming d.d. 29 september 2021 dat het geweer is aangetroffen op de eerste verdieping in de slaapbank. Gelet op die inconsistentie kan niet worden vastgesteld of het hagelgeweer open en voor de verdachte in het zicht heeft gelegen. Daarmee is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet onaannemelijk de mogelijkheid dat een ander dan de verdachte voor de aanwezigheid van het wapen verantwoordelijk moet worden gehouden en dat de verdachte zich niet van die aanwezigheid bewust is geweest.
Gelet op het voorgaande is het hof, met de verdediging, van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte een wapen van categorie II onder 3 van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad. Het hof zal de verdachte derhalve van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.
hij op 29 september 2021 te Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand, een wapen van categorie II, onder 5, van de Wet wapens en munitie, te weten een taser, zijnde een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos konden worden gemaakt of pijn kon worden toegebracht, voorhanden heeft gehad.
2.
hij op 29 september 2021 te Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand, opzettelijk aanwezig heeft gehad 27,96 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
I. De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
II. Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
III. De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep ook vrijspraak van het onder feit 2 tenlastegelegde bepleit voor zover dat betrekking heeft op de in het kluisje aangetroffen hoeveelheid cocaïne. Daartoe is – op gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – in de kern aangevoerd dat, mede gelet op de omstandigheid dat andere personen toegang hebben gehad tot de woning en de verdachte langere tijd afwezig is geweest en herstellende was van een medische ingreep, niet met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte zich bewust was van het bestaan – en de inhoud van het kluisje. Daarnaast heeft de verdediging aangevoerd dat er geen forensisch-technisch onderzoek is verricht aan de kluis en dat uit het procesdossier geen details volgen over de plaats waar de kluis exact is aangetroffen (al dan niet in het zicht).
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt voorop dat voor de vraag of de verdachte opzettelijk drugs aanwezig heeft gehad als bedoeld in artikel 2, onder C, van de Opiumwet, op grond van bestendige jurisprudentie is vereist dat: a) de drugs zich in de ‘machtssfeer’ van de verdachte bevonden en, b) dat de verdachte op de hoogte was van de aanwezigheid van de drugs, althans van de aanmerkelijke kans daarop.
Voor wat betreft het onder a vermelde vereiste geldt dat om aan te kunnen nemen dat verdovende middelen zich in de machtssfeer van de verdachte bevinden, uit feiten en omstandigheden – al dan niet in hun onderlinge samenhang beschouwd – dient te kunnen worden afgeleid dat de verdachte een zodanige macht kon uitoefenen over de verdovende middelen dat de verdachte geacht kan worden die verdovende middelen aanwezig te hebben gehad. Daarbij is niet doorslaggevend aan wie die drugs toebehoren. Er hoeft daarnaast ook geen sprake te zijn van enige beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van die drugs.
Het enkele feit dat iemand bewoner is van een woning waar drugs zijn aangetroffen rechtvaardigt niet zonder meer de conclusie dat hij of zij hier wetenschap van had. Dit hangt af van de omstandigheden van het geval. Dat neemt niet weg dat het hof voorop stelt dat een verdachte als eigenaar en gebruiker van een woning, behoudens contra-indicaties voor het tegendeel, geacht mag worden weet te hebben van – en verantwoordelijk te zijn voor de aanwezigheid van de aldaar aangetroffen voorwerpen en stoffen (vgl. HR 4 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:498). Daarnaast mag de feitenrechter bij de bewezenverklaring betekenis toekennen aan het ontbreken van een aannemelijke verklaring van de verdachte (vgl. HR 3 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0733, NJ 1997/584, rov. 6.2. en HR 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1864, rov. 3.2.2).
Anders dan de verdediging komt het hof tot een bewezenverklaring van het onder feit 2 tenlastegelegde op grond van het navolgende.
Op 29 september 2021 werd er door verbalisant [verbalisant 1] en de toezichthouder van de gemeente Loon op Zand, [verbalisant 2] , een BRP-controle uitgevoerd bij de woning aan [adres 2] . De verdachte en [medeverdachte 1] hebben desgevraagd te kennen gegeven dat zij woonachtig waren in de woning. Nadat er een machtiging tot binnentreden werd uitgevaardigd en de woning werd doorzocht op grond van de Wet wapens en munitie, werd naast de bank een losstaande kluis aangetroffen met daarin onder andere een bol cocaïne. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte ten overstaan van het hof verklaard dat hij de woning heeft gehuurd met ingang van 1 september 2021. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij veel tijd op de bank heeft doorgebracht om te herstellen van zijn medische ingreep, maar dat hij de kluis die is aangetroffen naast de bank in de woonkamer niet heeft gezien.
Ten aanzien van het eerste vereiste, inhoudende dat de drugs zich in de ‘machtssfeer’ van de verdachte bevinden, stelt het hof vast dat de verdovende middelen zich op een makkelijk toegankelijke plek bevonden in de woonkamer van de woning die door de verdachte werd gehuurd. Hierdoor heeft de verdachte een zodanige macht kunnen uitoefenen over de verdovende middelen dat hij geacht kan worden die verdovende middelen aanwezig te hebben gehad.
Gelet op het tweede vereiste, acht het hof de verklaring van de verdachte, inhoudende dat hij veel tijd op de bank heeft doorgebracht na zijn ziekenhuisopname, maar dat hij de kluis die is aangetroffen naast de bank in de woning niet heeft gezien, niet aannemelijk. Het hof gaat er gelet op de inhoud van het procesdossier van uit dat de kluis die naast de bank in de woonkamer is aangetroffen zichtbaar moet zijn geweest voor de verdachte. Op grond van het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 3] kan worden vastgesteld dat het kluisje op het moment van aantreffen open was en dat zich daarin zichtbaar bevonden onder meer een tweetal weegschaaltjes, meerdere lege nieuwe gripzakjes en een plastic zakje met daarin een bol van een bepaalde substantie. Die substantie bleek later cocaïne te zijn. Het hof is van oordeel dat de verdachte gelet op deze combinatie van feiten en omstandigheden op zijn minst de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zich in de kluis verdovende middelen bevonden. Voorts is het hof van oordeel dat aan deze conclusie niet in de weg staat dat er geen forensisch-technisch onderzoek is verricht aan de kluis. Het ontbreken van bijvoorbeeld vingerafdrukken van de verdachte hoeft immers niet te betekenen dat de verdachte de aanmerkelijke kans op de aanwezigheid van de cocaïne niet heeft aanvaard. Ook de omstandigheid die door de verdediging is aangevoerd, inhoudende dat er andere personen toegang hebben gehad tot de woning gedurende de periode dat de verdachte in het ziekenhuis heeft verbleven, maakt dat oordeel niet anders, gelet op het feit dat het hof ervan uitgaat dat de kluis zichtbaar moet zijn geweest voor de verdachte nu de kluis in de woonkamer van de woning is aangetroffen.
Gelet op het voorgaande is het hof, anders dan de verdediging, van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod. Het verweer van de verdediging wordt verworpen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Het onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht om ter zake van het tweede gedachtestreepje van het onder feit 1 tenlastegelegde (het voorhanden hebben gehad van de taser) te volstaan met een voorwaardelijke geldboete, gelet op het tijdsverloop. Indien het hof de door de verdediging bepleite vrijspraak ter zake van het onder feit 2 tenlastegelegde niet volgt en komt tot een bewezenverklaring, heeft de verdediging bepleit dat een taakstraf tot de mogelijkheden kan behoren.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
In het bijzonder heeft het hof het navolgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben gehad van een taser en het opzettelijk aanwezig hebben gehad van een hoeveelheid cocaïne. Het voorhanden hebben van wapens kan een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich brengen. Daarnaast brengt het bezit en gebruik van verdovende middelen maatschappelijk onwenselijke effecten met zich en is het bovendien schadelijk voor de (volks)gezondheid. Het gebruik van verdovende middelen werkt verslaving in de hand met veelal vermogenscriminaliteit en overlast in de samenleving tot gevolg.
Het hof heeft tevens acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 21 oktober 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een soortgelijk feit.
Voorts heeft het hof acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het dossier en ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdediging in dat kader naar voren gebracht dat de verdachte woonachtig is bij zijn moeder in Polen, zijn psychische problemen aan de beterende hand zijn en dat de verdachte kampt met lichamelijke klachten als gevolg van een eerder incident.
Het hof heeft ten slotte acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. Daarin wordt voor het voorhanden hebben van een stroomstootwapen een geldboete van € 550,00 als passend beschouwd. Voor het opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid van 10-50 gram harddrugs wordt het opleggen van een taakstraf voor de duur van 80 uren passend geacht.
Gelet op het feit dat het hof komt tot een mindere bewezenverklaring dan de politierechter ziet het hof, anders dan door de advocaat-generaal is gevorderd, geen aanleiding om aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Het hof ziet, mede gelet op het tijdsverloop, evenmin aanleiding om aan de verdachte ter zake van het onder feit 1 bewezenverklaarde een geldboete op te leggen.
Alles afwegende acht het hof een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, passend en geboden.
Beslag
De hierna onder 1 tot en met 3 te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen – die bij gelegenheid van het onderzoek zijn aangetroffen – zullen worden onttrokken aan het verkeer, nu het ongecontroleerd bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.
De hierna onder 4, 5 en 6 te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten een stroomstootwapen en verdovende middelen, zijn voorwerpen waarmee het onder feit 1 en feit 2 bewezenverklaarde is begaan en die voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerd bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang. Dientengevolge zullen die voorwerpen eveneens worden onttrokken aan het verkeer.
De hierna onder 7 genoemde honkbalknuppel dient te worden teruggegeven aan de verdachte.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 2, 10 en 13a van de Opiumwet, de artikelen 9, 22c, 22d en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
40 (veertig) dagen hechtenis;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
beveelt de
onttrekking aan het verkeervan de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
STK Wapen (Omschrijving: G2381321);
8 STK Steekwapen (Omschrijving: G2381330);
1 STK Steekwapen (Omschrijving: G2381331);
1 STK Stroomstootwapen (Omschrijving: G2381329);
1 STK Cocaïne (Omschrijving: G2381475);
1 STK Cocaïne (Omschrijving: G2381476)
beveelt de teruggave aan verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
1. STK Honkbalartikel (Omschrijving: G2381332).
Aldus gewezen door:
mr. J.T.F.M. van Krieken, voorzitter,
mr. C.P.J. Scheele en mr. C.A. van Roosmalen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M.E. van Vessem, griffier,
en op 8 januari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.