ECLI:NL:GHSHE:2026:235

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
24/243 en 24/244
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 220 GemeentewetArt. 220a lid 2 GemeentewetArt. 17 lid 2 Wet WOZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen WOZ-waarden en aanslagen onroerendezaakbelasting bevestigd

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarden en aanslagen onroerendezaakbelasting (OZB) voor de jaren 2021 en 2022, vastgesteld door de heffingsambtenaar. De rechtbank wees het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde bij het hof.

Het hof oordeelde dat de heffingsambtenaar de onroerende zaak juist had afgebakend en de WOZ-waarden niet te hoog had vastgesteld, mede op basis van taxatierapporten en onderbouwing met vergelijkbare transacties. De aanslagen OZB waren terecht en correct vastgesteld volgens de geldende tarieven en waarderingen.

Wel werd geoordeeld dat de rechtbank ten onrechte een te laag tarief hanteerde voor de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het hof verhoogde deze vergoeding naar € 1.000, waarvan € 100 door de heffingsambtenaar en € 900 door de minister wordt vergoed.

Het hoger beroep werd gegrond verklaard voor het deel van de immateriële schadevergoeding en griffierecht, en ongegrond voor de overige punten. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd voor het deel van de immateriële schadevergoeding en griffierecht, en bevestigd voor de rest.

Uitkomst: Het hof bevestigt de WOZ-waarden en OZB-aanslagen, maar verhoogt de immateriële schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn naar € 1.000.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 24/243 en 24/244
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraken van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) van 29 december 2023, nummers SHE 21/2556 en 22/2253, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Oost-Brabant,
hierna: de heffingsambtenaar.
en
de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),
hierna: de minister.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) beschikkingen gegeven (hierna: de WOZbeschikkingen) en daarbij de waarde van [adres 1] in [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak) vastgesteld. Tevens zijn de aanslagen onroerendezaakbelastingen voor de jaren 2021 en 2022 bekendgemaakt.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraken van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft verweerschriften ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de heffingsambtenaar.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en, namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar]
.
1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
1.8.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.
1.9.
Het hof heeft vervolgens het onderzoek heropend en partijen verzocht schriftelijk inlichtingen en/of stukken in te zenden. Partijen hebben aan dit verzoek voldaan. Het hof heeft daarna partijen schriftelijk medegedeeld dat het onderzoek is gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van de onroerende zaak. Het betreft een agrarisch object (melkveebedrijf met bedrijfswoning). Tot het bedrijfsgedeelte behoren twee ligboxenstallen, twee plaat-/sleufsilo’s, een melkstal, een jongveestal, twee mestkelders en een werktuigenberging. De bedrijfswoning heeft een inhoud van 749 m³ en beschikt, naast een traditioneel bedrijfsgebouw aan de woning, over drie dakkapellen, een voorraadkelder en aangebouwde garage. Tot het object behoren tevens verschillende kadastrale percelen met een totale oppervlakte van 307.030 m², waarvan 5.900 m² als grond bij niet-woning, 850 m² als grond bij de bedrijfswoning en 750 m² als erfverharding in de waardebepaling is betrokken.
2.2.
De waarde van de onroerende zaak is door de heffingsambtenaar per de waardepeildatum 1 januari 2020 vastgesteld op € 423.000 en per 1 januari 2021 op € 424.000. Tevens zijn - voor zover van belang voor het geding - de volgende aanslagen opgelegd:
- aanslag onroerende zaakbelasting eigenaar niet-woning € 1.296,15 (belastingjaar 2021);
- aanslag onroerende zaakbelasting gebruiker niet-woning € 383,48 (belastingjaar 2021);
- aanslag onroerende zaakbelasting eigenaar niet-woning € 1.100,02 (belastingjaar 2022);
- aanslag onroerende zaakbelasting gebruiker niet-woning € 321,45 (belastingjaar 2022).
2.3.
In het door de heffingsambtenaar overgelegde taxatierapport van 23 december 2021 van taxateur [taxateur 1] (hierna: de taxateur) met als gehanteerde waardepeildatum 1 januari 2020 (hierna: het Taxatierapport 2021) is de onroerende zaak getaxeerd op € 431.000. In dit taxatierapport is de volgende specificatie opgenomen in de tabel ‘Geregistreerde delen’:
2.4.
Verder is in het Taxatierapport 2021 de volgende specificatie opgenomen in de tabel ‘Heffingsmaatstaf gebruik’:
In het Taxatierapport 2021 is aldus een bedrag van € 270.277 aan woondelen van de onroerende zaak toegerekend en een bedrag van € 161.360 aan niet-woondelen.
2.5.
In het door de heffingsambtenaar overgelegde taxatierapport van 13 april 2023 van de taxateur met als gehanteerde waardepeildatum 1 januari 2021 (hierna: het Taxatierapport 2022 en gezamenlijk met het Taxatierapport 2021: de Taxatierapporten) is de onroerende zaak getaxeerd op € 430.000. In dit taxatierapport is de volgende specificatie opgenomen in de tabel ‘Geregistreerde delen’:
2.6.
Verder is in het Taxatierapport 2022 de volgende specificatie opgenomen in de tabel ‘Heffingsmaatstaf gebruik’:
In het Taxatierapport 2022 is aldus een bedrag van € 273.968 aan woondelen van de onroerende zaak toegerekend en een bedrag van € 156.941 aan niet-woondelen.
2.7.
Belanghebbende heeft in hoger beroep een taxatierapport overgelegd dat is opgesteld door taxateur [taxateur 2] van [kantoor] B.V. (hierna: het taxatierapport van [kantoor] ). Hierin is de volgende omschrijving gegeven van het object:
(…)
Het object is per waardepeildatum 31 december 2019 getaxeerd op een waarde in het economische verkeer van € 2.285.000. Hierbij is de volgende uitsplitsing en specificering gegeven:
2.8.
De Verordening op de heffing en de invordering van onroerendezaakbelastingen 2021 van de gemeente Landerd vermeldt het volgende:
Artikel 5 Belastingtarieven Pro

1.Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf
o
a.de gebruikersbelasting: voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen: 0,24426%
o
b.de eigenarenbelasting:

1.voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen: 0,09338%

2.voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen: 0,30642%”
2.9.
De Verordening op de heffing en de invordering van onroerendezaakbelastingen Maashorst 2022 [1] vermeldt het volgende:
“Artikel 5. Belastingtarieven

1.Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor:
o
a.de gebruikersbelasting 0,20606%;
o
b.de eigenarenbelasting:

1.voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen 0,08155 %;

2.voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen 0,25944 %.”
2.10.
De rechtbank heeft in zaak met nummer 24/243 (rechtbanknummer: SHE 21/2556) aan belanghebbende een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toegekend van € 100, waarbij zij is uitgegaan van een vergoeding van € 50 per half jaar overschrijding van de redelijke termijn.
2.11.
De rechtbank heeft verder in beide uitspraken overwogen dat belanghebbende kennelijk onredelijk gebruikmaakt van het procesrecht, maar is in die twee zaken nog niet overgegaan tot toewijzing van het verzoek van de heffingsambtenaar om belanghebbende te veroordelen in zijn proceskosten.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
1. Heeft de heffingsambtenaar de onroerende zaak juist afgebakend?
2. Zijn de WOZ-waarden te hoog vastgesteld?
3. Zijn de aanslagen onroerendezaakbelasting terecht en tot de juiste bedragen vastgesteld?
4. Heeft de rechtbank de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg juist vastgesteld?
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vermindering van de WOZ-waarden op beide peildata naar € 300.000, vernietiging van de aanslagen onroerendezaakbelasting en een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg van € 1.000. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraken van de rechtbank en verzoekt het hof om belanghebbende te veroordelen in de kosten die door hem zijn gemaakt in de hoger beroepsprocedure wegens misbruik van recht.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
1.
Heeft de heffingsambtenaar de onroerende zaak juist afgebakend?
4.1.
De taxateur van de heffingsambtenaar heeft in zijn waardebepaling onder meer 5.900 m² als grond bij niet-woning betrokken. Belanghebbende heeft de juistheid hiervan met het rapport van [kantoor] en hetgeen hij ter zitting bij het hof heeft aangevoerd gemotiveerd betwist. Het hof heeft hierin aanleiding gezien om het onderzoek te heropenen en de heffingsambtenaar verzocht inzichtelijk te maken hoe hij de onroerende zaak en de oppervlakten van de verschillende objectonderdelen heeft bepaald.
4.2.
De heffingsambtenaar heeft op 14 november 2025 voldaan aan dit verzoek en belanghebbende heeft hier vervolgens op gereageerd.
4.3.
Het hof is op grond van hetgeen ter zitting is besproken en de stukken van partijen van oordeel dat de taxateur van de heffingsambtenaar terecht 5.900 m2 als grond bij niet-woning in zijn waardebepaling heeft betrokken en de onroerende zaak juist heeft afgebakend. De heffingsambtenaar heeft nader toegelicht en inzichtelijk gemaakt dat de in de taxatie betrokken oppervlakte van de percelen 622 en 623 in totaal 6.750 m2 bedraagt. Daarvan is 850 m2 dienstbaar aan de woningdelen (perceel 622, verminderd met het traditionele bedrijfsgebouw en vermeerderd met 50% van de toegangsweg op perceel 623), zodat dat 5.900 m2 grond bij niet-woning overblijft. De heffingsambtenaar heeft ter onderbouwing hiervan verwezen naar de tabellen met de oppervlakten van alle gehanteerde onderdelen inclusief de opstallen (zie 2.3 en 2.5), aangegeven welke onderdelen de woningonderdelen daarvan zijn en die aangeduid met ‘code D’ (zie 2.4 en 2.6), waarbij de negatieve correctieonderdelen met code D zijn verdeeld op basis van de waardeverhouding tussen de woning- en niet-woningdelen. De omstandigheid dat belanghebbende gegevens uit het door hem overgelegde taxatierapport van [kantoor] mist (zie 2.7) leidt niet tot een ander oordeel. Belanghebbende verwijst tot slot nog naar correcties over andere belastingjaren, maar ook dit baat hem niet. Het hof verwijst in dit verband kortheidshalve naar hetgeen hierna onder 4.7 wordt overwogen.
2. Zijn de WOZ-waarden te hoog vastgesteld?
4.4.
De waarde van de onroerende zaak moet worden bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. [2] Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer die dient te worden vastgesteld op de prijs die bij aanbieding voor verkoop op de voor de onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn besteed.
4.5.
De bewijslast met betrekking tot deze waarde rust op de heffingsambtenaar.
4.6.
Uit de Taxatierapporten volgt dat de taxateur de waarde heeft bepaald met behulp van de op de peildatum geldende taxatiewijzer Agrarische gebouwen en de taxatiewijzer Grond bij agrarische objecten. Voor een waardering volgens deze taxatiewijzers geldt, dat ze zijn gebaseerd op gegevens van geanalyseerde verkopen van vergelijkbare objecten en dus een invulling geven aan de vergelijkingsmethode. Het hof acht de waardering met de taxatiewijzers bruikbaar als de gegevens uit de taxatiewijzers zoveel mogelijk worden herleid naar plaatselijke omstandigheden. De heffingsambtenaar heeft daaraan uitvoering gegeven door ter ondersteuning van de gehanteerde kengetallen transactiecijfers te overleggen van telkens drie agrarische objecten in de regio, namelijk [adres 2] te [plaats 1] , [adres 3] te [plaats 2] , [adres 4] te [plaats 3] (Taxatierapport 2021) en [adres 3] te [plaats 2] , [adres 5] te [plaats 4] en [adres 6] te [woonplaats] (Taxatierapport 2022).
4.7.
Het hof is van oordeel dat de heffingsambtenaar, met de taxatierapporten en de daarbij gegeven toelichting, heeft voldaan aan zijn bewijslast aannemelijk te maken dat de WOZ-waarden niet te hoog zijn vastgesteld. Belanghebbende heeft de gebruikte methode voor de vaststelling van de WOZ-waarden niet betwist en het hof ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de in de Taxatiewijzers gehanteerde uitgangspunten. Het door belanghebbende in hoger beroep overgelegde taxatierapport van [kantoor] leidt niet tot een ander oordeel omdat bij die taxatie bepaalde onderdelen van de onroerende zaak, namelijk de (bedrijfs)woning met ondergrond, tuinen en erf, inclusief alle overige daaraan toe te rekenen grond, buiten de taxatie vielen (zie 2.7). Ook de verwijzingen van belanghebbende naar procedures over eerdere belastingjaren maken niet dat de heffingsambtenaar niet aan zijn bewijslast heeft voldaan. Die procedures zijn namelijk niet relevant omdat het hof alleen dient te beoordelen of WOZ-waarden voor de belastingjaren 2021 en 2022 niet te hoog zijn vastgesteld.
3. Zijn de aanslagen onroerende zaakbelasting terecht en tot de juiste bedragen vastgesteld?
4.8.
Op grond van artikel 220, aanhef en letter a, Gemeentewet, kan belasting worden geheven van degene die een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, gebruikt. In artikel 220a, lid 2, Gemeentewet, is bepaald dat een onroerende zaak in hoofdzaak tot woning dient als de WOZ-waarde die is vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van de onroerende zaak die dienen tot woning of volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden (hierna: de woondelen).
4.9.Voor de vraag of de onroerende zaak in hoofdzaak tot woning dient, komt het er op aan of ten minste 70% van de WOZ-waarde kan worden toegerekend aan de woondelen. Is daaraan voldaan, dan wordt de hele onroerende zaak als woning aangemerkt, met als gevolg het niet heffen van onroerendezaakbelasting ten aanzien van het gebruik. [3]
4.10.
Uit de Taxatierapporten volgt dat de taxateur voor beide belastingjaren minder dan 70% van de getaxeerde waarden heeft toegerekend aan de woondelen (zie 2.4 en 2.6).
4.11.
Belanghebbende stelt dat de correcties ‘ligging’ en ‘verkleinen bouwblok’ in beide belastingjaren in de tabel ‘Heffingsmaatstaf gebruik’ (zie 2.5 en 2.6) ten onrechte ook aan de woondelen zijn toegerekend. Volgens belanghebbende zien deze correcties namelijk volledig op de niet-woondelen, waardoor meer dan 70% van de totale waarde is toe te rekenen aan de woondelen. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft belanghebbende verwezen naar de ambtshalve gegeven beschikkingen voor de jaren 2016 en 2017, waarin de aanslag onroerendezaakbelasting gebruiker niet-woning is vernietigd en de aanslag onroerendezaakbelasting eigenaar niet-woning is verlaagd naar het woningtarief.
4.12.
Het hof begrijpt uit de stukken en de toelichting van partijen dat de heffingsambtenaar met de ambtshalve beschikkingen heeft willen tegemoetkomen aan belanghebbende in verband met het niet altijd even consistent toepassen van een taxatieopbouw in het verleden. Daaraan kan echter niet het vertrouwen worden ontleend dat er ook voor de latere jaren geen aanslagen in de gebruikersheffing worden opgelegd.
4.13.Wat betreft de verdeling tussen woondelen en niet-woondelen ziet het hof geen reden om af te wijken van de door de heffingsambtenaar beschikte verdeling ten aanzien van de correctie ligging. Dat de correctie ligging het gevolg zou zijn van het bepaalde in de Verordening Ruimte en daarom volledig aan de niet-woondelen moet worden toegerekend, zoals belanghebbende stelt, is weersproken door de heffingsambtenaar en volgt ook niet uit de gedingstukken. Wat betreft de correctie verkleinen bouwblok heeft belanghebbende op de zitting bij het hof gemotiveerd gesteld dat die beperking ziet op de bedrijfsgebouwen en niet op de woning. Maar zelfs indien deze negatieve correctie geheel aan de niet-woondelen wordt toegerekend, dan nog beslaan de woondelen in beide belastingjaren minder dan 70% van de totale waarde van de onroerende zaak.
4.14.
De conclusie is dat aan belanghebbende terecht de aanslagen onroerendezaakbelasting gebruiker niet-woning zijn opgelegd, met toepassing van het juiste tarief. Omdat de heffingsambtenaar voor de onroerende zaak niet een te hoge waarde heeft vastgesteld, zijn de aanslagen onroerendezaakbelasting eigenaar niet-woning ook naar de juiste waarden, met toepassing van het juiste tarief, vastgesteld.
4.15.Al hetgeen belanghebbende overigens naar voren heeft gebracht kan niet tot een andere conclusie leiden.
3.
Heeft de rechtbank de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg juist vastgesteld?
4.16.
De Hoge Raad heeft naar aanleiding van prejudiciële vragen van dit hof in zijn arrest van 27 september 2024 [4] onder meer overwogen dat blijkens de rechtsoverwegingen 3.4.1 tot en met 3.4.6 van zijn arrest van 14 juni 20242 (hierna: het arrest van 14 juni 2024) hij geen aanleiding heeft gezien terug te komen van zijn rechtspraak op grond waarvan voor de hoogte van de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn als uitgangspunt, en behoudens wettelijke uitzonderingen, een tarief moet worden gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden. Tevens heeft de Hoge Raad in antwoord op de prejudiciële vragen 3 en 4 van dit hof geoordeeld dat de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn niet is gemaximeerd op het pleitbare financiële belang bij de procedure, en die vergoeding in zaken die een bepaalde belasting, heffing of beschikking betreffen, niet is beperkt tot € 50 per half jaar waarmee de termijn is overschreden, voor zover de wet niet anders bepaalt.
4.17.
Het hof stelt vast dat in onderhavige zaak geen wettelijke regeling van toepassing is op basis waarvan een ander tarief dan € 500 per half jaar waarmee de termijn is overschreden moet worden gehanteerd. Tevens stelt het hof vast dat in deze zaak het overgangsrecht als bedoeld in artikel 3.5 van het arrest van 14 juni 2024 van toepassing is en daarom de verhoging van de zogenoemde bagatelgrens van € 15 naar € 1.000 in deze zaak niet geldt. Het hof stelt verder vast dat de redelijke termijn voor beslechting van het geschil in eerste aanleg in de zaak met zaaknummer 24/243 met (afgerond naar boven) 11 maanden [5] is overschreden. Het hof heeft geen aanknopingspunten gevonden voor bijzondere omstandigheden, die aanleiding geven voor een beperking van de schadevergoeding.
4.18.
Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel de rechtbank ten onrechte een tarief heeft gehanteerd van € 50 per half jaar waarmee de redelijke termijn van beslechting van het geschil in eerste aanleg is overschreden. Voor de overschrijding van (afgerond) 1 jaar dient een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.000 (= 2 x € 500) te worden toegekend. De vergoeding hiervan zal voor € 100 moeten plaatsvinden door de heffingsambtenaar en voor € 900 door de minister.
Tussenconclusie
4.19.
De slotsom is dat het hoger beroep in de zaak met nummer 24/243 gegrond is en in de zaak met nummer 24/244 ongegrond.
Ten aanzien van het griffierecht
4.20.
De heffingsambtenaar dient aan belanghebbende het bij de rechtbank en het hof betaalde griffierecht van € 49 respectievelijk € 138 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank in zaak met nummer SHE 21/2556 wordt vernietigd en de rechtbank vanwege overschrijding van de redelijke termijn de heffingsambtenaar had moeten veroordelen tot vergoeding van het griffierecht.
Ten aanzien van de kosten van het bezwaar
4.21.
De heffingsambtenaar heeft in de uitspraak op bezwaar het verzoek om vergoeding van de kosten van dat bezwaar afgewezen. Dit verzoek is naar het oordeel van het hof terecht afgewezen, omdat het bestreden besluit niet wordt herroepen wegens een onrechtmatigheid die aan de heffingsambtenaar te wijten is.
Ten aanzien van de proceskosten
4.22.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb Pro. Belanghebbende heeft namelijk niet verzocht om een proceskostenvergoeding, en het hof is ook ambtshalve niet gebleken, dat hij voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gemaakt als bedoeld in artikel 1 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht.

5.Beslissing

Het hof:
Ten aanzien van de zaak met nummer 24/243 (rechtbanknummer SHE 21/2556)
  • verklaart het hoger beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar alleen voor zover het betrekking heeft op de veroordeling van de heffingsambtenaar tot het betalen van immateriële schadevergoeding en de beslissing om het griffierecht niet te laten vergoeden;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van € 100, onder verrekening van het reeds uitbetaalde bedrag;
  • veroordeelt de minister tot vergoeding van de schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van € 900, onder verrekening van het reeds uitbetaalde bedrag;
  • bepaalt dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof van, in totaal, € 187 vergoedt;
Ten aanzien van de zaak met nummer 24/244 (rechtbanknummer SHE 22/2253)
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank;
De uitspraak is gedaan door C.W.M.M. Verkoijen, voorzitter, M.E. Smorenburg en J.K. Lanser, in tegenwoordigheid van J.H.M. van Ooijen, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.
De griffier, De voorzitter,
J.H.M. van Ooijen C.W.M.M. Verkoijen
De uitspraak is alleen door de voorzitter ondertekend aangezien de griffier is verhinderd deze te ondertekenen.
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.De gemeente Landerd is op 1 januari 2022 met de gemeente Uden gefuseerd tot de gemeente Maashorst.
2.Artikel 17, lid 2, Wet WOZ.
3.Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 15 november 2014, ECLI:NL:HR:2013:1125.
4.Hoge Raad 27 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1299.
5.Het bezwaarschrift in die procedure is ingediend op 24 februari 2021, de heffingsambtenaar heeft op 20 september 2021 uitspraak op bezwaar gedaan en de rechtbank heeft op 29 december 2023 uitspraak gedaan. In de zaak met zaaknummer 24/244 is in eerste aanleg geen overschrijding van de redelijke termijn.