ECLI:NL:GHSHE:2026:1826

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
20-003339-24
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep verduistering en diefstal door bewindvoerder van kwetsbare slachtoffers

In deze strafzaak stond verdachte terecht voor verduistering en diefstal van aanzienlijke geldbedragen van kwetsbare, veelal oudere slachtoffers waarvoor hij als bewindvoerder of budgetbeheerder optrad. De rechtbank had verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden, waarvan hoger beroep werd ingesteld.

Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk voor een deel van de tenlastelegging wegens verjaring. Verdachte werd vrijgesproken van een subsidiair tenlastegelegd feit. Voor de overige feiten werd verdachte schuldig bevonden aan meervoudige diefstal en verduistering. Het hof legde een taakstraf van 180 uur op, met een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden.

De schadevergoedingsvorderingen van de benadeelde partijen werden grotendeels toegewezen, met uitzondering van enkele vorderingen die niet-ontvankelijk werden verklaard wegens onvoldoende onderbouwing. Het hof legde aan verdachte de verplichting op om de toegewezen schadevergoedingen aan de Staat te betalen ten behoeve van de slachtoffers, met mogelijkheid tot gijzeling bij niet-betaling.

De procedure kende discussie over het recht op een eerlijk proces en de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, waarbij het hof oordeelde dat geen sprake was van onherstelbare schendingen van verdedigingsrechten. Het arrest werd op 9 juli 2026 uitgesproken door het gerechtshof 's-Hertogenbosch.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot taakstraf van 180 uur en voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden wegens verduistering en diefstal, met toewijzing van schadevergoedingen aan benadeelden.

Uitspraak

Parketnummer : 20-003339-24
Uitspraak : 9 juli 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 2 december 2024, in de strafzaak met parketnummer 01-860000-22 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1972,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard ten aanzien van hetgeen onder feit 3 primair ten laste is gelegd.
De rechtbank heeft het overige tenlastegelegde bewezenverklaard en dat gekwalificeerd als:
  • ‘diefstal, meermalen gepleegd’ (feit 1 primair);
  • ‘verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking of van zijn beroep onder zich heeft, meermalen gepleegd (feit 1 subsidiair en feit 2);
  • ‘verduistering’ (feit 3 subsidiair),
de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met aftrek van voorarrest.
Tot slot heeft de rechtbank beslissingen genomen op de vorderingen van de benadeelde partijen als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep en ten aanzien van elk van deze partijen de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
Namens de verdachte is primair verzocht de zaak terug te wijzen naar de rechtbank. Subsidiair is verzocht het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de strafvervolging. Meer subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging ten aanzien van feit 3 primair in verband met verjaring en is vrijspraak bepleit van het onder 1 primair en subsidiair, 2 en 3 subsidiair tenlastegelegde. Voorts is een strafmaatverweer gevoerd.
Geldigheid van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging terugwijzing van de zaak naar de rechtbank op grond van artikel 423, lid 2 van het wetboek van strafvordering (Sv) bepleit. Daaraan is (naar het hof begrijpt) ten grondslag gelegd dat het recht van de verdachte op een eerlijk proces is geschonden doordat mr. [naam 1] , de raadsman van de verdachte in eerste aanleg, ten onrechte door de rechtbank niet in kennis is gesteld van de regiezitting in eerste aanleg d.d. 9 oktober 2024 en dat mr. [naam 1] van de rechtbank ten onrechte geen afschrift heeft ontvangen van de brief waarin de verdachte door de rechtbank wordt meegedeeld dat ter terechtzitting d.d. 18 november 2024 zal worden beslist op de verzoeken van de verdachte in diens brief d.d. 7 november 2024 tot aanhouding van de zaak en tot het horen van getuigen.
Het hof stelt dienaangaande het volgende voorop.
Art. 423 lid 1 en Pro lid 2 Sv luidt:
“1. Het gerechtshof kan het vonnis hetzij geheel bevestigen, hetzij gedeeltelijk bevestigen en gedeeltelijk vernietigen, hetzij geheel vernietigen. Het gerechtshof bevestigt het vonnis geheel hetzij met gehele of gedeeltelijke overneming hetzij met aanvulling of verbetering van gronden. Ingeval het vonnis geheel of gedeeltelijk wordt vernietigd, doet het gerechtshof wat de rechtbank had behoren te doen, behoudens terugwijzing op grond van het tweede lid.
2. Indien de hoofdzaak niet door de rechtbank is beslist en het onderzoek daarvan gevolg moet zijn van de vernietiging van het vonnis, doet het gerechtshof de zaak zelf af, tenzij terugwijzing naar dezelfde rechtbank door de advocaat-generaal of de verdachte ter terechtzitting is verlangd. Terugwijzing vindt ook zonder uitdrukkelijk gebleken verlangen van de verdachte plaats indien de verdachte niet ter terechtzitting aanwezig is en de dagvaarding om op de terechtzitting in hoger beroep te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte niet in persoon is gedaan of betekend en zich geen andere omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was. In geval van terugwijzing doet de rechtbank recht met inachtneming van ’s hofs arrest.”
Wanneer op de hoofdzaak door de rechtbank is beslist en sprake is van een verzuim dat zich heeft voorgedaan bij de behandeling en beslissing van de zaak in eerste aanleg en dat tot nietigheid leidt, behoort het hof ingevolge art. 423 lid 1 Sv Pro, na een nieuwe behandeling van de zaak in hoger beroep, de uitspraak van de rechtbank te vernietigen en de zaak zelf af te doen. Het hof behoort in een dergelijk geval de zaak dus niet terug te wijzen naar de rechtbank op de grond dat de verdachte een aanleg heeft gemist. Op de hoofdregel neergelegd in art. 423 lid 1 Sv Pro wordt in lid 2 een uitzondering gemaakt voor het geval dat de rechtbank naar het oordeel van het hof ten onrechte niet in de hoofdzaak heeft beslist. Dit doet zich bijvoorbeeld voor als de rechtbank de dagvaarding, naar het oordeel van het hof, ten onrechte nietig heeft verklaard. Op verzoek van de advocaat-generaal of de verdachte wijst het hof de zaak dan terug naar de rechtbank. Wanneer de verdachte niet ter terechtzitting aanwezig is, vindt ook zonder een dergelijk verzoek terugwijzing plaats in het in de tweede volzin van lid 2 omschreven geval. Aan art. 423 lid 2 Sv Pro ligt als beginsel ten grondslag “dat een verdachte in aan hoger beroep onderworpen zaken aanspraak heeft op berechting in twee feitelijke instanties”. Het hoger beroep vormt een herkansing en stelt het hof in staat de in eerste aanleg gemaakte fouten te herstellen. Voor de situatie dat de rechtbank ten onrechte niet in de hoofdzaak heeft beslist, zou – bij gebrek aan de in lid 2 neergelegde uitzondering – de verdachte dan wel het openbaar ministerie worden beroofd van een eerste aanleg. De uitzondering in art. 423 lid 2 Sv Pro is enkel van toepassing als de rechtbank ten onrechte niet in de hoofdzaak heeft beslist.
Naast de in art. 423 lid 2 Sv Pro geregelde uitzonderlijke gevallen heeft de Hoge Raad in zijn “kernroljurisprudentie” (Vgl. HR 7 mei 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0442) een uitbreiding aan de werking van lid 2 gegeven voor het geval de rechtbank ten onrechte wél in de hoofdzaak heeft beslist en wel alleen in de situatie dat zich een zodanig gebrek heeft voorgedaan in de samenstelling van het gerecht dat de behandeling van de zaak niet heeft plaats gevonden door een onpartijdige rechterlijke instantie als bedoeld in art. 6, eerste lid, Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden […], alsmede wanneer de rechter ter terechtzitting aan de behandeling ten gronde niet had mogen toekomen omdat een van de overige personen die een kernrol vervullen bij het onderzoek ter terechtzitting aldaar niet is verschenen, terwijl hij niet op de bij de wet voorgeschreven wijze op de hoogte is gebracht van de dag van de terechtzitting en zich evenmin een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat die dag hem tevoren bekend was. De gedachte achter deze situatie lijkt te zijn dat indien een verzuim heeft geresulteerd in de afwezigheid van een “kernrolspeler” tijdens het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg waarbij de rechter ten onrechte in de hoofdzaak heeft beslist, terugwijzing door het hof moet plaatsvinden, omdat anders materieel tekort wordt gedaan aan het beginsel van berechting in twee feitelijke instanties dat ten grondslag ligt aan art. 423 Sv Pro. Terugwijzing volgt alleen als is voldaan aan de door de Hoge Raad in zijn arrest van 7 mei 1996 geschetste voorwaarden.
Tegen deze achtergrond overweegt het hof als volgt.
De terechtzittingen in eerste aanleg d.d. 3 en 9 oktober 2024
Tijdens de terechtzitting in eerste aanleg d.d. 3 oktober 2024 trad mr. [naam 2] op als raadsman van de verdachte, daarbij waarnemend voor zijn kantoorgenoot mr. [naam 1] , de gestelde raadsman van de verdachte. Tijdens deze terechtzitting heeft mr. [naam 2] op enig moment de verdediging neergelegd. Het gevolg hiervan was dat ook mr. [naam 1] , namens wie mr. [naam 2] als waarnemer op bedoelde zitting optrad, niet langer als raadsman voor de verdachte optrad. Dat maakt dat, anders dan de verdediging heeft betoogd, mr. [naam 1] niet in kennis hoefde te worden gesteld van de regiezitting d.d. 9 oktober 2024 die, na het neerleggen van de verdediging door mr. [naam 2] en in diens afwezigheid maar in aanwezigheid van de verdachte, tijdens de terechtzitting d.d. 3 oktober 2024 door de rechtbank is bepaald. Ook een andere raadsman of -vrouw hoefde daarvan niet in kennis te worden gesteld nu zich na de terechtzitting d.d. 3 oktober 2024 geen andere raadsman of -vrouw voor de verdachte heeft gesteld. De datum van de regiezitting d.d. 9 oktober 2024 is tijdens de terechtzitting d.d. 3 oktober 2024 aan de verdachte aangezegd, zodat hij daarvan op de hoogte was. De rechtbank heeft daarbij aangekondigd dat zij op zoek zou gaan naar een nieuwe datum voor de verdere inhoudelijke behandeling van de zaak en op 9 oktober 2024 deze datum aan de verdachte zou doorgeven. De rechtbank heeft de verdachte meegedeeld dat hij zich alvast kon gaan oriënteren op een nieuwe raadsman maar dat hij diende te wachten met het inschakelen van deze nieuwe raadsman totdat de verdachte op 9 oktober 2024 van de rechtbank te horen zou hebben gekregen wanneer de zaak verder inhoudelijk behandeld zou gaan worden. De rechtbank heeft tot slot aan de verdachte meegedeeld dat de nieuwe raadsman van de verdachte op de datum van de verdere inhoudelijke behandeling beschikbaar diende te zijn.
De terechtzitting in eerste aanleg d.d. 18 november 2024
Ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 9 oktober 2024, waar de verdachte, ondanks de aanzegging van deze datum aan hem ter terechtzitting d.d. 3 oktober 2024, niet is verschenen, heeft de rechtbank het onderzoek geschorst tot de terechtzitting d.d. 18 november 2024. In het proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 9 oktober 2024 heeft de rechtbank de verdachte opgedragen, als hij bijstand van een advocaat wenst in zijn strafzaak, om een advocaat te benaderen die op 18 november 2024 beschikbaar zou zijn voor de verdere inhoudelijke behandeling van de zaak. Voorts heeft de rechtbank in het proces-verbaal vermeld dat, zodra de verdachte een advocaat zou hebben gevonden, hij geacht werd dit onverwijld aan de rechtbank te laten weten, zodat deze advocaat voor de terechtzitting d.d. 18 november 2024 kon worden opgeroepen.
Bij brief d.d. 7 november 2024 heeft de verdachte de rechtbank verzocht de zaak op 18 november 2024 aan te houden omdat hij geen raadsman had. In deze brief schrijft de verdachte:
“Mr. [naam 1] was bereid mij bij te staan, maar aangezien de datum van de zitting al is vastgelegd en mr. [naam 1] op die dag andere zittingen heeft, is zijn aanwezigheid helaas niet mogelijk.”
Uit deze brief van de verdachte blijkt derhalve dat mr. [naam 1] op de hoogte was van de terechtzitting op 18 november 2024. Daarnaast bevinden zich in het dossier kennisgevingen d.d. 16 en 17 oktober 2024 van de zitting op 18 november 2024, gericht aan mr. [naam 1] . Het hof vermag niet in te zien dat, naar de verdediging stelt, het recht van de verdachte op een eerlijk proces geschonden zou zijn doordat mr. [naam 1] daarnaast niet ook een afschrift zou hebben ontvangen van de brief van de rechtbank d.d. 15 november 2024 waarin de verdachte wordt meegedeeld dat ter terechtzitting d.d. 18 november 2024 door de rechtbank zou worden beslist op de verzoeken van de verdachte in diens brief d.d. 7 november 2024 tot aanhouding van de zaak en tot het horen van getuigen. Het had daarnaast op de weg van de verdachte gelegen, nu hij kennelijk met mr. [naam 1] contact had gehad over de zitting van 18 november 2024, om mr. [naam 1] van de inhoud van de betreffende brief op de hoogte te stellen.
Indien en voor zover aan het verzoek tot terugwijzing door de verdediging ten grondslag is gelegd dat het verzoek van de verdachte om aanhouding van de zaak en andere verzoeken van de verdachte door de rechtbank ten onrechte zijn afgewezen en/of de rechtbank andere onterechte beslissingen heeft genomen, heeft te gelden dat de verdachte zich daarover in hoger beroep kan beklagen. Dit vormt, gelet op het bepaalde in artikel 423, lid 2 Sv, dan ook geen grond om de zaak terug te wijzen.
Gelet op al het voorgaande zal het hof de zaak dan ook niet terugwijzen naar de rechtbank maar de zaak zelf afdoen.
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging subsidiair, indien het hof de zaak niet terugwijst naar de rechtbank, verzocht het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de strafvervolging vanwege het schenden van het recht op een eerlijk proces in twee instanties binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. Het gaat daarbij deels ook om de (beweerdelijke) schendingen van het recht op een eerlijk proces die aan het verzoek tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank ten grondslag zijn gelegd. Voorts heeft de raadsman zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de rechtbank het verzoek van de verdachte bij brief d.d. 7 november 2024 om 35 met name genoemde getuigen te horen, ten onrechte heeft afgewezen. Deze getuigen betreffen alle personen die onder de feiten 1 tot en met 3 op de tenlastelegging zijn vermeld.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Ten aanzien van het verzoek van de verdediging om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de strafvervolging vanwege overschrijding van de redelijke termijn, heeft te gelden dat volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (o.m. HR 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2059), de sanctie van niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie bij de enkele overschrijding van de redelijke termijn in het geheel niet in beeld komt, ook niet in uitzonderlijke gevallen.
In HR 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2059, onderscheidt de Hoge Raad drie categorieën van gevallen waarin de sanctie van niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging in beeld komt, namelijk:
  • i) gevallen waarin de wet de niet-ontvankelijkheid voorschrijft,
  • ii) gevallen van vormverzuimen in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, te weten onherstelbare vormverzuimen die zijn begaan in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte ter zake van het aan hem ten laste gelegde feit, en
  • iii) buiten het bereik van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering vallende (onherstelbare) inbreuken op de verdedigingsrechten van de verdachte.
Alleen in uitzonderlijke gevallen kunnen vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (categorie (ii)) en inbreuken op de verdedigingsrechten van de verdachte (categorie (iii)) aanleiding geven voor de sanctie van niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Wat betreft categorie (iii) gaat het dan alleen om uitzonderlijke gevallen waarin zich onherstelbare inbreuken op de verdedigingsrechten van de verdachte hebben voorgedaan die niet zijn gecompenseerd op een wijze die beantwoordt aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging en die van dien aard zijn en zodanig ernstig dat “
the proceedings as a whole were not fair”.
Tegen deze achtergrond overweegt het hof als volgt.
Voor zover de verdediging een beroep heeft gedaan op (beweerdelijke) schendingen van het recht op een eerlijk proces die door de verdediging ten grondslag zijn gelegd aan het verzoek tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank, overweegt het hof dat, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en geoordeeld ten aanzien van dat verzoek, niet gezegd kan worden dat de verdedigingsrechten van de verdachte zijn geschonden.
Voor zover de verdediging bedoeld heeft zich op het standpunt te stellen dat sprake is van een (onherstelbare) inbreuk op de verdedigingsrechten van de verdachte zoals bedoeld in de hiervoor genoemde categorie (iii) omdat, naar de verdediging stelt, de rechtbank het verzoek van de verdachte bij brief d.d. 7 november 2024 om de op de tenlastelegging vermelde personen als getuigen te horen ten onrechte heeft afgewezen, dient dat verweer alleen al te worden verworpen omdat niet gezegd kan worden dat deze (beweerdelijke) inbreuk van dien aard is en zodanig ernstig dat “
the proceedings as a whole were not fair”. De rechtbank heeft in dat kader het navolgende overwogen:
b ) het gewicht van de verklaringen van de niet nader door de verdediging gehoorde getuigen

De rechtbank is van oordeel dat. hoewel de verklaringen van belang zijn voor de bewezenverklaring, de getuigenverklaringen op door de verdachte betwiste onderdelen voldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal, te weten de bankafschriften waarop de overboekingen zichtbaar zijn, maar ook in de verklaringen die verdachte zelf heeft afgelegd en de schriftelijke bescheiden van de hand van verdachte waarin hij schuld bekend. Met andere woorden, naar het oordeel van de rechtbank vinden de verklaringen van de niet nader gehoorde getuigen voldoende steun in de overige bewijsmiddelen

c) zijn er voldoende compenserende factoren?
Naar het oordeel van de rechtbank kan mét het hiervoor genoemde steunbewijs de betrouwbaarheid van de verklaringen die de rechtbank tot het bewijs zal bezigen, op een behoorlijke en goede manier in objectieve zin onderzocht en getoetst[
kunnen]
worden. Naar het oordeel van de rechtbank is, voor zover moet worden gesproken van een beperking van het ondervragingsrecht, deze beperking voldoende gecompenseerd doordat de betrouwbaarheid van deze getuigen in toereikende mate kan worden beoordeeld aan de hand van de inhoud van het dossier als geheel, waaronder in het bijzonder ook de (deelsbekennende) verklaringen van de verdachte zelf. De bewijsmiddelen staan niet op zichzelf. Dat betekent ook dat het gewicht van elke getuigenverklaring afzonderlijk, beperkt is.Het hof neemt vorenstaande overweging van de rechtbank over en maakt deze tot de zijne.
Aanvullend overweegt het hof dat, zo al sprake zou zijn van een inbreuk op de verdedigingsrechten door het afwijzen van het verzoek van de verdachte tot het horen van de op de tenlastelegging genoemde personen als getuigen, deze inbreuk niet onherstelbaar is gebleken nu de verdediging zich in hoger beroep met hetzelfde verzoek tot het hof had kunnen wenden. Dat de verdediging daar om haar moverende redenen vanaf heeft gezien, maakt dit niet anders. Dat de waarheidsvinding overigens in het gedrang zou zijn gekomen, al dan niet door tijdsverloop, is door de verdediging onvoldoende gesteld en onderbouwd en is het hof ook anderszins niet gebleken. Dat betekent dat het doen van een herhaald getuigenverzoek niet als zinloos (
“futile”) kan worden beschouwd en de verdediging door welbewust af te zien van het doen van getuigenverzoeken afstand heeft gedaan van haar uit hoofde van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM Pro toekomende ondervragingsrechten.
Gelet op het voorgaande is voor niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging geen plaats en is een minder ingrijpend rechtsgevolg als bewijsuitsluiting naar het oordeel van het hof evenmin aan de orde. Noch op grond van de door de verdediging genoemde factoren op zichzelf, noch indien deze in onderling verband en samenhang worden bezien.
Het hof verwerpt dan ook het tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:
1. primair
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 2 september 2013 in de gemeente Venlo, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen althans eenmaal (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen de hierna te noemen geldbedragen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de hierna te noemen personen/benadeelden, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, te weten:
(proces-verbaal aangifte [aangever 1] , p. 65)
- een geldbedrag van 544,50 euro toebehorende aan [benadeelde 1] en/of
- een geldbedrag van 1.026,02 euro toebehorende aan [benadeelde 2] en/of
- een geldbedrag van 1.983,20 euro toebehorende aan [benadeelde 3] en/of
- een geldbedrag van 441,65 euro toebehorende aan [benadeelde 4] en/of
- een geldbedrag van 1.02,85 euro toebehorende aan [benadeelde 5] en/of
(proces-verbaal aangifte [aangever 2] , p. 99)
- een geldbedrag van 681,40 euro toebehorende aan [benadeelde 6] en/of
- een geldbedrag van 661,40 euro toebehorende aan [benadeelde 7] en/of
- een geldbedrag van 2.248,55 euro toebehorende aan [benadeelde 8] en/of
- een geldbedrag van 2.617,10 euro toebehorende aan [benadeelde 9] en/of
- een geldbedrag van 1.328,55 euro toebehorende aan [benadeelde 10] en/of
- een geldbedrag van 667,70 euro toebehorende aan [benadeelde 11] en/of
- een geldbedrag van 1.487,55 euro toebehorende aan [benadeelde 12] en/of
- een geldbedrag van 935,70 euro toebehorende aan [benadeelde 13] en/of
- een geldbedrag van 1.551,55 euro toebehorende aan [benadeelde 14] en/of
- een geldbedrag van 1.607,50 euro toebehorende aan [benadeelde 15] en/of
- een geldbedrag van 1.035,17 euro toebehorende aan [benadeelde 16] en/of
- een geldbedrag van 2.219,70 euro toebehorende aan [benadeelde 17] en/of
(proces-verbaal aangifte [benadeelde 18] , p. 117)
- een geldbedrag van 1.613,38 euro toebehorende aan [benadeelde 18] ;
1. subsidiair
hij (mede) handelend onder de naam [bedrijf 1] in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 2 september 2013 in de gemeente Venlo, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen althans eenmaal telkens opzettelijk de hierna te noemen geldbedragen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de hierna te noemen personen, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk(e) goed(eren) verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) onder zich had(den) in zijn/hun hoedanigheid van (voormalig) bewindvoerder, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had(den), (telkens) wederechtelijk zich heeft toegeëigend, te weten:
(proces-verbaal aangifte [aangever 1] , p. 65)
- een geldbedrag van 544,50 euro toebehorende aan [benadeelde 1] en/of
- een geldbedrag van 1.026,02 euro toebehorende aan [benadeelde 2] en/of
- een geldbedrag van 1.983,20 euro toebehorende aan [benadeelde 3] en/of
- een geldbedrag van 441,65 euro toebehorende aan [benadeelde 4] en/of
- een geldbedrag van 102,85 euro toebehorende aan [benadeelde 5] en/of
(proces-verbaal aangifte [aangever 2] , p. 99)
- een geldbedrag van 681,40 euro toebehorende aan [benadeelde 6] en/of
- een geldbedrag van 661,40 euro toebehorende aan [benadeelde 7] en/of
- een geldbedrag van 2.248,55 euro toebehorende aan [benadeelde 8] en/of
- een geldbedrag van 2.617,10 euro toebehorende aan [benadeelde 9] en/of
- een geldbedrag van 1.328,55 euro toebehorende aan [benadeelde 10] en/of
- een geldbedrag van 667,70 euro toebehorende aan [benadeelde 11] en/of
- een geldbedrag van 1.487,55 euro toebehorende aan [benadeelde 12] en/of
- een geldbedrag van 935,70 euro toebehorende aan [benadeelde 13] en/of
- een geldbedrag van 1.551,55 euro toebehorende aan [benadeelde 14] en/of
- een geldbedrag van 1.607,50 euro toebehorende aan [benadeelde 15] en/of
- een geldbedrag van 1.035,17 euro toebehorende aan [benadeelde 16] en/of
- een geldbedrag van 2.219,70 euro toebehorende aan [benadeelde 17] en/of
(proces-verbaal aangifte [benadeelde 18] , p. 117)
- een geldbedrag van 1.613,38 euro toebehorende aan [benadeelde 18] ;
2.
hij (mede) handelend onder de naam [bedrijf 1] in of omstreeks de periode van 1 juli 2009 tot en met 31 mei 2014 in de gemeente Venlo, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen , meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk de hierna te noemen geldbedragen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de hierna te noemen personen/benadeelden, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk(e) goed(eren) verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) onder zich had(den) in zijn/hun hoedanigheid van (voormalig) bewindvoerder en/of in de uitoefening van zijn persoonlijke dienstbetrekking en/of zijn beroep, te weten als budgetbeheerder, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had(den), (telkens) wederechtelijk zich heeft toegeëigend, te weten:
- een geldbedrag van 3.240,00 euro toebehorende aan [benadeelde 19] en/of
- een geldbedrag van 4.524,32 euro toebehorende aan [benadeelde 20] en/of
- een geldbedrag van 2.875,00 euro toebehorende aan [benadeelde 21] en/of
- een geldbedrag van 1.610,00 euro toebehorende aan [benadeelde 22] en/of
- een geldbedrag van 462,00 euro toebehorende aan [benadeelde 23] en/of
- een geldbedrag van 2.087,50 euro toebehorende aan [benadeelde 24] en/of
- een geldbedrag van 1.026,40 euro toebehorende aan [benadeelde 25] en/of
- een geldbedrag van 2.067,35 euro toebehorende aan [benadeelde 26] en/of
- een geldbedrag van 5.518,30 euro toebehorende aan [benadeelde 27] en/of
- een geldbedrag van 11.452,20 euro toebehorende aan [benadeelde 28] en [benadeelde 29] en/of
- een geldbedrag van 99,00 euro toebehorende aan [benadeelde 30] en/of
- een geldbedrag van 5.394,86 euro toebehorende aan [benadeelde 31] en/of
- een geldbedrag van 3.190 euro toebehorende aan [benadeelde 32] en/of
- een geldbedrag van 5.562,70 euro toebehorende aan [benadeelde 33] en/of
- een geldbedrag van 1.2632,74 euro toebehorende aan [benadeelde 34] ;
3. primair
hij in of omstreeks de periode van 17 juli 2008 tot en met 15 september 2014 in de gemeente Venlo, in elk geval in Nederland, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde 35] heeft bewogen tot de afgifte van (totaal) 50.000,00 euro, in elk geval van enig goed, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid (zakelijk weergegeven) die [benadeelde 35] verteld:
- dat hij financieel moeilijk zat en/of
- dat het geld bestemd was voor het inlossen van een doorlopend krediet en/of
- dat hij een administratiekantoor wilde beginnen en/of vervolgens
- er een geldleningsovereenkomst tussen hem, verdachte, en die [benadeelde 35] werd gesloten en/of
- dat die geldlening voor een periode van 5 jaren was,
waardoor die [benadeelde 35] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;
3. subsidiair
hij in of omstreeks 18 juli 2008 tot en met 17 juli 2018 in de gemeente Venlo opzettelijk 50.000,00 euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 35] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten als leenovereenkomst, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Verjaring feit 3 primair
Het hof is – met de advocaat-generaal en de verdediging – van oordeel dat de advocaat-generaal niet-ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte ten aanzien van feit 3 primair, nu het recht tot strafvervolging van dit feit is verjaard.
Vrijspraak feit 3 subsidiair
Het hof acht, met de verdediging, niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 3 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair,
1. subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1. primair
hij in de periode van 1 januari 2013 tot en met 2 september 2013 in Nederland, meermalen telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen de hierna te noemen geldbedragen, toebehorende aan de hierna te noemen personen/benadeelden, te weten:
(proces-verbaal aangifte [aangever 1] , p. 65)
- een geldbedrag van 544,50 euro toebehorende aan [benadeelde 1] en
- een geldbedrag van 1.026,02 euro toebehorende aan [benadeelde 2] en
- een geldbedrag van 1.983,20 euro toebehorende aan [benadeelde 3] en
- een geldbedrag van 441,65 euro toebehorende aan [benadeelde 4] en
- een geldbedrag van 102,85 euro toebehorende aan [benadeelde 5] en
(proces-verbaal aangifte [aangever 2] , p. 99)
- een geldbedrag van 531,40 euro toebehorende aan [benadeelde 6] en
- een geldbedrag van 661,40 euro toebehorende aan [benadeelde 7] en
- een geldbedrag van 1.253,55 euro toebehorende aan [benadeelde 8] en
- een geldbedrag van 561,40 euro toebehorende aan [benadeelde 9] en
- een geldbedrag van 655,70 euro toebehorende aan [benadeelde 10] en
- een geldbedrag van 403,70 euro toebehorende aan [benadeelde 11] en
- een geldbedrag van 982,70 euro toebehorende aan [benadeelde 12] en
- een geldbedrag van 555,70 euro toebehorende aan [benadeelde 13] en
- een geldbedrag van 666,70 euro toebehorende aan [benadeelde 14] en
- een geldbedrag van 764,25 euro toebehorende aan [benadeelde 15] en
- een geldbedrag van 1.035,17 euro toebehorende aan [benadeelde 16] en
- een geldbedrag van 1.355,85 euro toebehorende aan [benadeelde 17] en
(proces-verbaal aangifte [benadeelde 18] , p. 117)
- een geldbedrag van 1.613,38 euro toebehorende aan [benadeelde 18] ;
1. subsidiair
hij (mede) handelend onder de naam [bedrijf 1] in de periode van 1 januari 2013 tot en met 2 september 2013 in Nederland, meermalen telkens opzettelijk de hierna te noemen geldbedragen, toebehorende aan de hierna te noemen personen, welke geldbedragen verdachte telkens onder zich had in zijn hoedanigheid van (voormalig) bewindvoerder, telkens wederechtelijk zich heeft toegeëigend, te weten:
(proces-verbaal aangifte [aangever 2] , p. 99)
- een geldbedrag van 150,00 euro toebehorende aan [benadeelde 6] en
- een geldbedrag van 995,00 euro toebehorende aan [benadeelde 8] en
- een geldbedrag van 2.055,70 euro toebehorende aan [benadeelde 9] en
- een geldbedrag van 672,85 euro toebehorende aan [benadeelde 10] en
- een geldbedrag van 264,00 euro toebehorende aan [benadeelde 11] en
- een geldbedrag van 437,85 euro toebehorende aan [benadeelde 12] en
- een geldbedrag van 380,00 euro toebehorende aan [benadeelde 13] en
- een geldbedrag van 884,85 euro toebehorende aan [benadeelde 14] en
- een geldbedrag van 843,25 euro toebehorende aan [benadeelde 15] en
- een geldbedrag van 761,00 euro toebehorende aan [benadeelde 17] ;
2.
hij (mede) handelend onder de naam [bedrijf 1] in de periode van 1 juli 2009 tot en met 31 mei 2014 in Nederland, meermalen telkens opzettelijk de hierna te noemen geldbedragen, toebehorende aan de hierna te noemen personen/benadeelden, welke geldbedragen verdachte onder zich had in zijn hoedanigheid van (voormalig) bewindvoerder en in de uitoefening van zijn persoonlijke dienstbetrekking en/of zijn beroep, te weten als budgetbeheerder, telkens wederechtelijk zich heeft toegeëigend, te weten:
- een geldbedrag van 1.620,00 euro toebehorende aan [benadeelde 19] en
- een geldbedrag van 4.421,47 euro toebehorende aan [benadeelde 20] en
- een geldbedrag van 2.875,00 euro toebehorende aan [benadeelde 21] en
- een geldbedrag van 1.610,00 euro toebehorende aan [benadeelde 22] en
- een geldbedrag van 462,00 euro toebehorende aan [benadeelde 23] en
- een geldbedrag van 1.881,80 euro toebehorende aan [benadeelde 24] en
- een geldbedrag van 1.026,40 euro toebehorende aan [benadeelde 25] en
- een geldbedrag van 2.067,35 euro toebehorende aan [benadeelde 26] en
- een geldbedrag van 5.518,30 euro toebehorende aan [benadeelde 27] en
- een geldbedrag van 11.452,20 euro toebehorende aan [benadeelde 28] en [benadeelde 29] en
- een geldbedrag van 99,00 euro toebehorende aan [benadeelde 30] en
- een geldbedrag van 2.350,00 euro toebehorende aan [benadeelde 31] en
- een geldbedrag van 2.010,00 euro toebehorende aan [benadeelde 32] en
- een geldbedrag van 3.520,00 euro toebehorende aan [benadeelde 33] en
- een geldbedrag van 11.329,91 euro toebehorende aan [benadeelde 34] .
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte vrijspraak bepleit van het onder 1 primair en subsidiair en onder 2 tenlastegelegde. Daartoe is – op de gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – in de kern aangevoerd dat niet buiten redelijke twijfel vast is komen te staan dat de verdachte zich aan deze feiten heeft schuldig gemaakt wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.
Naar het oordeel van het hof vindt het door de raadsman gevoerde verweer zijn weerlegging in de bewijsmiddelen. Het hof verwerpt mitsdien dit verweer. Ook hetgeen overigens door de raadsman is aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Het hof acht het tenlastegelegde onder 1 primair en subsidiair en onder 2 dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 primair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

diefstal, meermalen gepleegd.

Het onder 1 subsidiair en onder 2 bewezenverklaarde wordt
telkensals volgt gekwalificeerd:
verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking of van zijn beroep onder zich heeft, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof, evenals de rechtbank, de verdachte zal veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met aftrek van voorarrest.
De verdediging heeft bepleit dat, anders dan de rechtbank, aan de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf dient te worden opgelegd.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De rechtbank heeft het navolgende met betrekking tot de strafoplegging overwogen.
Verdachte heeft op schandalige wijze grote bedragen verduisterd en gestolen als bewindvoerder c.q. budgetbeheerder van kwetsbare (veelal: oudere) slachtoffers. Er is sprake van een zéér groot aantal slachtoffers, namelijk 35[hof: na beoordeling in hoger beroep: 34].
Verdachte heeft met zijn handelen niet alleen financiële schade berokkend, maar heeft ook op grove wijze het vertrouwen, dat in hem was gesteld en dat in het algemeen aan bewindvoerders en budgetbeheerders moet kunnen worden gesteld, zeer ernstig beschaamd. Het dossier bevat verklaringen van slachtoffers die zelfs hun leefgeld niet uitgekeerd kregen van verdachte of wiens huur niet door verdachte werd betaald en daardoor in ernstige moeilijkheden raakten. Hij heeft zich ten koste van zeer kwetsbare mensen verrijkt en telkens zijn eigen financiële belang laten prevaleren boven de belangen van de slachtoffers. Verdachte heeft geen enkele blijk van spijt gegeven. Hij legt de verantwoordelijkheid van zijn handelen telkens bij anderen. Dat sommigen van zijn slachtoffers door zijn handelen bijna hun woning hebben verloren, of zijn achtergebleven met een hogere schuldenlast, lijkt de verdachte volledig koud te laten. Ook heeft verdachte na afloop niet op eigen initiatief openheid van zaken verschaft en is hij, met uitzondering van een enkel geval, niet overgegaan tot terugbetaling van bedragen, ondanks de gedane toezeggingen daartoe of ondertekende schuldbekentenissen.
Het hof neemt vorenstaande overweging van de rechtbank over en maakt deze tot de zijne.
Aanvullend overweegt het hof het volgende.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 9 april 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Daaruit blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde eerder onherroepelijk is veroordeeld maar niet voor soortgelijke strafbare feiten. Voorts blijkt uit dit uittreksel dat artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Voorts heeft het hof acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof is door en namens de verdachte naar voren gebracht dat de verdachte een eigen sloopbedrijf heeft waarmee hij werkzaamheden verricht in de bouw, dat hij van de inkomsten daarvan goed kan rondkomen, dat hij samen met zijn vrouw en hun drie meerderjarige kinderen een koopwoning bewoont en dat hij enkele schulden heeft.
Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt zoals door de rechtbank aan de verdachte is opgelegd.
Het hof heeft zich echter gesteld gezien voor de vraag of een strafmodaliteit die beter het belang dient van de gedupeerden bij een schadeloosstelling de voorkeur verdient boven deze straf, die vooral vergelding en speciale en generale preventie als doelstelling heeft. Schadeloosstelling van de benadeelden zou bij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf immers wel eens illusoir kunnen worden. De verdachte wordt immers zijn vrijheid ontnomen bij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf hetgeen tot gevolg zal hebben dat hij geen inkomsten meer kan genereren.
Het hof vindt het - mede wegens het ruime tijdsverloop - op dit moment belangrijker dat op niet te lange termijn een begin kan worden gemaakt met het schadeloos stellen van de benadeelden. Dat betekent dat het hof afziet van het opleggen van een gevangenisstraf die ook daadwerkelijk vrijheidsbeneming van de verdachte betekent. In de keuze voor een andere strafmodaliteit ligt tevens de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg besloten.
Het hof legt alles afwegende aan de verdachte voor feit 1 primair en subsidiair en feit 2 op een taakstraf voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis met daarnaast een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.
Met oplegging van een deels voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten .
Vorderingen van de benadeelde partijen
Als benadeelde partijen hebben zich in eerste aanleg in het geding gevoegd:
[benadeelde 29] en [benadeelde 28] , met [bedrijf 2] als hun bewindvoerder: iedere afzonderlijk € 7.028.34 (in totaal € 14.056,68) (materiële schade);
[benadeelde 30] : € 599,00 (€ 99,00 materiële schade en € 500,00 immateriële schade);
[benadeelde 2] : € 876,02 (materiële schade);
[benadeelde 35] : € 50.000,00 (materiële schade);
[benadeelde 21] : € 3.375,00 (€ 2.875,00 materiële schade en € 500,00 immateriële schade);
[benadeelde 4] : € 441,65 (materiële schade);
[benadeelde 18] : € 1.613,38 (materiële schade);
[benadeelde 1] : € 544,50 (materiële schade);
[benadeelde 5] : € 338,80 (materiële schade);
[benadeelde 26] : € 2.567,35 (€ 2.067,35 materiële schade en € 500,00 immateriële schade) en
[benadeelde 32] : € 3.690,00 (€ 3.190,00 materiële schade en € 500,00 immateriële schade).
Nu aan de verdachte ter zake van het tenlastegelegde onder 3 waardoor de gestelde schade van de benadeelde partij [benadeelde 35] veroorzaakt zou zijn, geen straf of maatregel wordt opgelegd en evenmin toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, kan de benadeelde partij [benadeelde 35] in de vordering niet worden ontvangen.
De benadeelde partijen [benadeelde 30] , [benadeelde 4] , [benadeelde 18] , [benadeelde 1] en
[benadeelde 5] hebben hun vorderingen tot schadevergoeding in hoger beroep niet gehandhaafd. Dat betekent dat in hoger beroep deze vorderingen nog slechts aan de orde zijn voor zover deze in eerste aanleg zijn toegewezen, dat wil zeggen tot een bedrag van:
  • [benadeelde 30] : € 99,00 (materiële schade);
  • [benadeelde 4] : € 441,65 (materiële schade);
  • [benadeelde 18] : € 1.613,38 (materiële schade);
  • [benadeelde 1] : € 373,08 (materiële schade);
  • [benadeelde 5] : € 102,85 (materiële schade).
Immateriële schade
Naar het oordeel van het hof is de (in sommige gevallen) gevorderde immateriële schade onvoldoende onderbouwd en zou het een onevenredige belasting van het strafproces opleveren als de desbetreffende benadeelde partijen in de gelegenheid gesteld zouden moeten worden dat alsnog te doen. De vorderingen van deze benadeelde partijen zullen derhalve in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partijen kunnen hun vorderingen in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Materiële schade
Ter terechtzitting in hoger beroep zijn de vorderingen van de benadeelde partijen door en namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist zodat deze vorderingen voor wat betreft de gevorderde materiële schade - en ten aanzien van de benadeelde partijen die hun vordering niet gehandhaafd hebben: voor zover aan de orde -, voor integrale toewijzing gereed liggen. Het hof brengt het bedrag dat de verdachte reeds aan de benadeelde [benadeelde 1] heeft terugbetaald, op diens vordering in mindering. Het meer gevorderde aan materiële schade zal worden afgewezen.
Resumé
Gezien het bovenstaande acht het hof toewijsbaar, als rechtstreeks door de bewezenverklaarde feiten toegebrachte schade, de volgende onderdelen van de vorderingen:
T.a.v. feit 1 primair
  • [benadeelde 1] : € 373,08 (gelet op de betaling van € 171,42 door de verdachte);
  • [benadeelde 2] : € 876,02;
  • [benadeelde 4] : € 441,65;
  • [benadeelde 5] : € 102,85 en
  • [benadeelde 18] : € 1.613,38.
T.a.v. feit 2
  • [benadeelde 21] : € 2.875,00;
  • [benadeelde 26] , € 2.067,35;
  • [benadeelde 29] en [benadeelde 28] : € 7.028.34 (per benadeelde partij);
  • [benadeelde 30] : € 99,00 en
  • [benadeelde 32] : € 3.190,00.

Proceskosten

Nu de benadeelde partij [benadeelde 35] niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vordering tot schadevergoeding zal het hof de benadeelde partij tevens veroordelen in de kosten.
Het hof zal de verdachte veroordelen in de kosten van de overige benadeelde partijen tot op heden begroot op nihil. Verder wordt de verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Wettelijke rente
Het hof zal de toegewezen bedragen vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van indiening van de respectievelijke vorderingen tot de dag van de algehele voldoening.
Daar waar de exacte datum van indiening niet kon worden vastgesteld is het hof uitgegaan van de datum van ondertekening van het verzoek tot schadevergoeding als datum van indiening daarvan.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het onder 1 primair en onder 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan de slachtoffers is toegebracht tot de hiervoor vermelde bedragen. De verdachte is daarvoor jegens de slachtoffers naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormelde bedragen, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de datum van indiening van de respectievelijke vorderingen tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan de slachtoffers bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 63, 310 en 322 van het Wetboek van Strafrecht, zoals die luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk ten aanzien van het onder 3 primair tenlastegelegde;
verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en subsidiair en onder 2 tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het onder 1 primair en subsidiair en onder 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
3 (drie) maanden;
bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
90 (negentig) dagen hechtenis;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 30]

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 30] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 99,00 (negenennegentig euro) ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
verklaart de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 30] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 99,00 (negenennegentig euro) als vergoeding voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 1 oktober 2019;

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 32]

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 32] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 3.190,00 (drieduizend honderdnegentig euro) ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
verklaart de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 32] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.190,00 (drieduizend honderdnegentig euro) als vergoeding voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 31 (eenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 9 juni 2022;

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 876,02 (achthonderdzesenzeventig euro en twee cent) ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 876,02 (achthonderdzesenzeventig euro en twee cent) als vergoeding voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 8 (acht) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 12 juli 2019;

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 21]

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 21] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 2.875,00 (tweeduizend achthonderdvijfenzeventig euro) ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
verklaart de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 21] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.875,00 (tweeduizend achthonderdvijfenzeventig euro) als vergoeding voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 28 (achtentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 2 september 2019;

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 29]

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 29] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 7.028,34 (zevenduizend achtentwintig euro en vierendertig cent) ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 29] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 7.028,34 (zevenduizend achtentwintig euro en vierendertig cent) als vergoeding voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 60 (zestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 31 mei 2022;

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 4] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 441,65 (vierhonderdeenenveertig euro en vijfenzestig cent) ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 4] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 441,65 (vierhonderdeenenveertig euro en vijfenzestig cent) als vergoeding voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 4 (vier) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 12 juli 2019;

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 18]

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 18] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 1.613,38 (duizend zeshonderddertien euro en achtendertig cent) ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 18] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.613,38 (duizend zeshonderddertien euro en achtendertig cent) als vergoeding voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 16 (zestien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 15 juli 2019;

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 373,08 (driehonderddrieënzeventig euro en acht cent) ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 373,08 (driehonderddrieënzeventig euro en acht cent) als vergoeding voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 3 (drie) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 12 juli 2019;

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5]

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 5] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 102,85 (honderdtwee euro en vijfentachtig cent) ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 5] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 102,85 (honderdtwee euro en vijfentachtig cent) als vergoeding voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 12 juli 2019;

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 28]

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 28] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 7.028,34 (zevenduizend achtentwintig euro en vierendertig cent) ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 28] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 7.028,34 (zevenduizend achtentwintig euro en vierendertig cent) als vergoeding voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 60 (zestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 31 mei 2022;

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 26]

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 26] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 2.067,35 (tweeduizend zevenenzestig euro en vijfendertig cent) ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
verklaart de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 26] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.067,35 (tweeduizend zevenenzestig euro en vijfendertig cent) als vergoeding voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 20 (twintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 25 juli 2019.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 35]

verklaart de benadeelde partij [benadeelde 35] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.
Aldus gewezen door:
mr. C.A. van Roosmalen, voorzitter,
mr. C.P.J. Scheele en mr. G.M. Goes, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C.J.G. Streutjes, griffier,
en op 9 juli 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.