ECLI:NL:GHSHE:2026:1684

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
20-001630-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 SrArt. 57 SrArt. 63 SrArt. 311 SrArt. 404 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep in diefstalzaak met vernietiging en vrijspraak voor één feit

In hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in Breda is de verdachte primair veroordeeld voor meerdere feiten van diefstal door twee of meer verenigde personen en poging tot diefstal, met een gevangenisstraf van 10 maanden. Het hof vernietigt de veroordeling voor het onder feit 5 tenlastegelegde wegens onvoldoende bewijs en spreekt verdachte daarvan vrij.

De overige bewezenverklaringen worden bevestigd. Het hof overweegt uitgebreid de toepassing van schakelbewijs, waarbij de overeenkomsten in modus operandi, betrokken medeverdachten, gebruikte auto, type goederen en tijdstip van de feiten als voldoende specifiek en kenmerkend worden beschouwd om de feiten aan elkaar te linken.

De straf wordt gematigd tot 9 maanden gevangenisstraf, mede vanwege een overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en de reeds ondergane ISD-maatregel van de verdachte. De verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep tegen de vrijspraak van feit 6. De opgelegde straf wordt verminderd met de tijd van het voorarrest.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van één diefstalfeit, voor overige feiten veroordeeld tot 9 maanden gevangenisstraf met aftrek voorarrest.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001630-25
Uitspraak : 18 juni 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 10 juni 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-086735-23 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,
thans uit anderen hoofde verblijvende in [verblijfplaats] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte vrijgesproken van het onder feit 6 tenlastegelegde en het onder feit 1, feit 2, feit 3, feit 4, feit 5 en feit 7 primair tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘diefstal door twee of meer verenigde personen’ (telkens feit 1, feit 3, feit 5 en feit 7 primair) en, ‘poging tot diefstal’ (telkens feit 2 en feit 4), de verdachte strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met aftrek van het voorarrest.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen, en opnieuw rechtdoende, de verdachte zal vrijspreken van het onder feit 5 tenlastegelegde en het onder feit 1, feit 2, feit 3, feit 4 en feit 7 primair tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met aftrek van het voorarrest.
De verdediging heeft vrijspraak van het onder feit 2, feit 4 en feit 5 tenlastegelegde bepleit en zich voor wat betreft het tenlastegelegde onder feit 1, feit 3, en feit 7 primair gerefereerd aan het oordeel van het hof. Voorts is een straftoemetingsverweer gevoerd.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het hoger beroep van de verdachte is onbeperkt ingesteld en richt zich aldus mede tegen de vrijspraak door de rechtbank van het onder feit 6 tenlastegelegde. Gelet op het bepaalde in artikel 404 van Pro het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep voor zover dit hiertegen is gericht.
Het vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis - voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen - met een aanvulling van de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de bewezenverklaring van het onder feit 5 tenlastegelegde, de opgelegde straf en de strafmotivering. In zoverre zal het beroepen vonnis worden vernietigd en zal het hof opnieuw rechtdoen.
Vrijspraak van het onder feit 5 tenlastegelegde
Het hof is van oordeel dat het thans voorliggende dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat voor de stelling dat het de verdachte is geweest die op 11 maart 2023 goederen weg heeft genomen bij de [bedrijf 1] in Wateringen, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Aanvullende bewijsmotivering
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder feit 2 en feit 4 tenlastegelegde niet bewezen kan worden, zodat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. Daartoe werd in de kern aangevoerd dat de tenlastegelegde feiten apart beoordeeld dienen te worden en dat geen sprake is van een modus operandi zoals door de rechtbank overwogen. Een schakelbewijsconstructie is hier dus niet mogelijk, zodat niet tot een bewezenverklaring kan worden gekomen, aldus de verdediging.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Met de term schakelbewijs pleegt te worden aangeduid een bewijsvoering waarbij voor de bewezenverklaring van een feit mede redengevend wordt geacht de - uit één of meer bewijsmiddelen blijkende - omstandigheid dat de verdachte bij één of meer andere strafbare feiten betrokken was. Daarbij is ten minste vereist dat de wijze waarop de onderscheidene feiten zijn begaan op essentiële punten overeenkomt. Geen steun in het recht vindt echter de opvatting dat voor een dergelijke bewijsvoering moet worden vastgesteld dat tot de bewezenverklaring van in elk geval één van de feiten kan worden gekomen zonder dat daarvoor mede bewijsmiddelen worden gebezigd die betrekking hebben op een ander feit. (vgl. HR 12 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3118) De stelling dat een schakelbewijs-constructie alleen is toegelaten indien sprake is van een sterke overeenkomst in de wijze van uitvoering van de feiten “waarvan eerst is vastgesteld dat zij zijn begaan”, vindt evenmin steun in het recht. (vgl. HR 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1455)
Bij de beoordeling van de vraag of een schakelbewijsconstructie mogelijk is, is van belang of en in hoeverre de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de onderscheidene feiten zijn begaan, op essentiële punten overeenkomen. Dat is niet beperkt tot louter de modus operandi. Gedacht kan bijvoorbeeld ook worden aan het handelen van de verdachte, de verklaringen die de verdachte heeft afgelegd, situationele/contextuele omstandigheden waaronder de feiten hebben plaatsgevonden en de omstandigheid dat de feiten binnen een beperkt tijdbestek en in de nabije omgeving zijn begaan. Daarbij geldt dat schakelbewijs zowel kan worden gebruikt voor het oordeel over de vraag wie een bepaalde activiteit heeft verricht, als voor de vraag naar de wijze waarop die activiteit is verricht. De rechter kan bij zijn oordeel dat uit de modus operandi kan worden afgeleid dat een verdachte een bepaald feit heeft begaan, betrekken dat niet gebleken is van contra-indicaties. Het gebruik van schakelbewijs is niet beperkt tot situaties waarin de betrokkenheid van de verdachte bij een bepaald feit bewijs behoeft, maar kan ook worden gebruikt in een situatie waarin het gaat om de vraag op welke (verboden) voorwerpen bepaalde gedragingen zijn gericht.
Voor zover de verdediging met haar betoog uitgaat van een beperktere toepassing van schakelbewijs, steunt het betoog niet op het recht.
Bij de beoordeling van de vraag of een schakelbewijsconstructie aangewezen is, dient de rechter echter niet uitsluitend oog te hebben voor de gesignaleerde overeenkomsten tussen de met elkaar te vergelijken delicten, maar ook oog te hebben voor de waargenomen verschillen. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kan zich namelijk de situatie voordoen dat die waargenomen verschillen het niet boven redelijke twijfel verheven maken dat de verdachte zich aan die onderscheidende delicten steeds heeft schuldig gemaakt.
Het hof stelt aan de hand van de bewijsmiddelen vast dat de feitelijke gang van zaken ten aanzien van de tenlastegelegde feiten op essentiële punten overeenkomsten vertonen. Zo wordt de verdachte telkens vergezeld door dezelfde medeverdachten, maken zij gebruik van dezelfde auto, worden telkens dezelfde type luxegoederen weggenomen bij winkels van dezelfde winkelketen ( [bedrijf 2] ) en volgen de diefstallen, dan wel de pogingen daartoe, elkaar in een kort tijdsbestek op. Opvallend is ook dat de diefstallen dan wel de pogingen daartoe telkens pas na het middaguur plaatsvinden. Daar komt nog bij dat telkens dezelfde handelswijze wordt gehanteerd, namelijk dat de goederen in een winkelkar worden geladen welke vervolgens voor de verdachte wordt klaargezet om mee te nemen. Het hof acht, evenals de rechtbank, de waargenomen overeenkomsten op essentiële onderdelen derhalve voldoende specifiek en kenmerkend om de tenlastegelegde feiten aan elkaar te kunnen linken.
Naar het oordeel van het hof is genoegzaam komen vast te staan dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 2 en feit 4 tenlastegelegde feiten. Het hof verwerpt het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging.
Hetgeen door de verdediging voor het overige met betrekking tot het bewijs is aangevoerd, vindt zijn weerlegging in de bewijsmiddelen en de door de rechtbank gebezigde, en door het hof aangevulde, bewijsoverwegingen.
Op te leggen sanctie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden.
De verdediging heeft verzocht te volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan meerdere diefstallen dan wel pogingen daartoe. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij met zijn handelen overlast en materiële schade heeft veroorzaakt. Het hof weegt in strafverzwarende zin mee dat de feiten in vereniging zijn gepleegd, veelal onder leiding van de verdachte, waarbij op basis van de feiten en omstandigheden van deze zaak sprake lijkt te zijn van diefstallen waarbij in georganiseerd verband te werk is gegaan. De verdachte nam ter terechtzitting een nonchalante en laconieke houding aan en beweerde dat het slechts diefstallen waren en dat hij er niet rijk van is geworden. Met deze houding heeft de verdachte geen blijk gegeven het verwijtbare van zijn handelen in te zien.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie, d.d. 2 april 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte waaruit volgt dat de verdachte eerder meerdere malen onherroepelijk veroordeeld is ter zake van soortgelijke feiten.
Verder heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden, voor zover daarvan ter terechtzitting gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij momenteel de ISD-maatregel ondergaat en dat hij ongewenst vreemdeling is verklaard.
Het hof is van oordeel dat, in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, de straffen die in soortgelijke gevallen door dit hof worden opgelegd en uit het oogpunt van vergelding, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Met betrekking tot het procesverloop overweegt het hof in deze zaak evenwel nog het volgende.
Het hof heeft in aanmerking genomen dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling en afdoening van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM). Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.
Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat vanwege de Staat der Nederlanden jegens de verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie strafvervolging zal worden ingesteld. Voorts heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep wordt afgerond met een eindarrest binnen twee jaren nadat het hoger beroep is ingesteld.
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro in eerste aanleg met bijna 2,5 maanden is overschreden, nu de verdachte op 28 maart 2023 in verzekering is gesteld en het vonnis waarvan beroep is gewezen op 10 juni 2025. Het hof stelt tevens vast dat de redelijke termijn hoger beroep niet is overschreden. Van bijzondere omstandigheden die de overschrijdingen van de redelijke termijn rechtvaardigen, is het hof niet gebleken.
In beginsel zou het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 11 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, zonder meer passend en geboden achten. Het hof zal de overschrijdingen van de redelijke termijn in het voordeel van verdachte verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat het hof de op te leggen gevangenisstraf zal verminderen met 1 maand.
Daar komt nog bij dat de verdachte momenteel een ISD-maatregel ondergaat en daardoor al langere tijd in detentie zal verblijven. Hierin ziet het hof aanleiding om de straf verder te matigen met nog 1 (één) maand.
Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 45, 57, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de vrijspraak van het onder feit 6 tenlastegelegde
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de veroordeling voor het onder feit 5 tenlastegelegde, opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 5 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
9 (negen) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep - voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen - voor het overige.
Aldus gewezen door:
mr. C.A. van Roosmalen, voorzitter,
mr. C.P.J. Scheele en mr. J.C. Gillesse, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. H. Smits, griffier,
en op 18 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.