ECLI:NL:GHSHE:2026:1454

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
24/514
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:25 BWCArt. 2:31 BWCArt. 8:1 AwbArt. 8:26 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens onbevoegdheid vertegenwoordiger na ontbinding vennootschap

Belanghebbende, een Curaçaose vennootschap, werd geconfronteerd met een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting over 2017. Na ontbinding door de Kamer van Koophandel te Curaçao benoemde deze een vereffenaar die verklaarde dat er geen baten aanwezig waren. De vennootschap was echter niet opgehouden te bestaan omdat deze verklaring niet juist was en niet gepubliceerd was in de Landscourant.

De inspecteur stelde dat alleen de vereffenaar bevoegd was om de vennootschap te vertegenwoordigen na ontbinding. Het hoger beroep werd ingesteld door een oud-bestuurder en aandeelhouder, niet door de vereffenaar. Het hof oordeelde dat het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk was omdat het niet door een daartoe bevoegde partij was ingesteld.

De feiten toonden aan dat de vennootschap nog substantiële bezittingen had in 2020 en 2021, wat de stelling van de gemachtigde dat de vennootschap was opgehouden te bestaan weerlegde. De vereffenaar had geen rechtsmiddelen ingesteld tegen de aanslag. Het hof wees ook het betoog af dat de inspecteur verplicht was de aanslag openbaar te maken. Het hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard en de overige geschilpunten werden niet behandeld.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet door de vereffenaar is ingesteld.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/514
Uitspraak op het hoger beroep van
[naam 1] en [naam 2] (hierna: [Advocatenkantoor] ), namens en op naam van [belanghebbende] N.V.(hierna: belanghebbende),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 13 maart 2024, nummer BRE 21/3979, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting (hierna: Vpb) 2017 aan belanghebbende opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
Namens belanghebbende is bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Namens belanghebbende is tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
1.4.
[Advocatenkantoor] heeft namens en op naam van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar is verschenen namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , [inspecteur 3] en [inspecteur 4] . Naar aanleiding van de uitnodiging voor de zitting heeft [Advocatenkantoor] het hof geïnformeerd dat de oud-bestuurder van belanghebbende is overleden, eventuele erfgenamen van de oud-bestuurder zich niet bekend hebben gemaakt en [Advocatenkantoor] zich als gemachtigde van belanghebbende terugtrekt. De griffier heeft een advertentie doen plaatsen in de Staatscourant van 23 december 2025, [nummer 2] , waarin mededeling is gedaan van de zitting en eventuele belanghebbenden zijn opgeroepen om zich te melden bij het hof. Op de oproep in de advertentie heeft niemand gereageerd en namens belanghebbende is niemand ter zitting verschenen.
1.6.
De inspecteur heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof.
1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft haar statutaire zetel in Curaçao en is feitelijk gevestigd in Nederland. De activiteiten van belanghebbende bestonden uit het aantrekken en verstrekken van financieringen voor projectontwikkeling (met name in [plaats 1] ) en overige holdingactiviteiten. [naam 3] was tot aan zijn overlijden op 9 juni 2025 (indirect) directeur-enigaandeelhouder van belanghebbende.
2.2.
Op 25 april 2017 hebben de inspecteur en (onder meer) belanghebbende een vaststellingsovereenkomst (hierna: de VSO) gesloten waarbij onder andere is afgesproken dat belanghebbende de op haar fiscale balans 2016 vermelde voorziening voor niet-ontvangen rente van € 4.903.270 in de jaren 2017, 2018 en 2019 in drie gelijke delen ten gunste van de winst zal laten vrijvallen. Daarbij heeft belanghebbende uitdrukkelijk afstand gedaan van het recht op bezwaar en het recht op beroep bij de rechter ter zake van de in de VSO geregelde onderwerpen.
2.3.
De inspecteur heeft belanghebbende uitgenodigd, herinnerd en aangemaand om de aangifte Vpb 2017 te doen. Belanghebbende heeft dat niet binnen de uiterste termijn genoemd in de aanmaning gedaan. De inspecteur heeft vervolgens met dagtekening van 3 augustus 2019 de (ambtshalve) aanslag Vpb 2017 vastgesteld naar een belastbare winst van € 1.000 en een belastbaar bedrag van nihil. Tegelijkertijd heeft de inspecteur bij beschikking een verzuimboete van € 2.639 vastgesteld.
2.4.
Op 8 november 2019 heeft de Kamer van Koophandel en Nijverheid te Curaçao een lijst (hierna: de ontbindingslijst) gepubliceerd van een groot aantal vennootschappen waarvoor het voornemen bestond om deze te ontbinden op grond van artikel 2:25 van Pro het Burgerlijk Wetboek van Curaçao (hierna: BWC). Belanghebbende was één van de op de ontbindingslijst opgenomen vennootschappen.
2.5.
Op 31 december 2019 heeft belanghebbende alsnog een aangifte Vpb 2017 ingediend naar een belastbaar bedrag van negatief € 176.417. De inspecteur heeft deze aangifte aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering en dit verzoek afgewezen.
2.6.
Op 3 maart 2020 heeft de Kamer van Koophandel en Nijverheid bij beschikking met nummer [nummer 1] (hierna: de ontbindingsbeschikking) belanghebbende daadwerkelijk ontbonden en de ontbinding bekend gemaakt in de Landscourant van Curaçao van 6 maart 2020.
2.7.
In de ontbindingsbeschikking is als vereffenaar benoemd de 2de Secretaris van de Kamer van Koophandel en Nijverheid, de heer [vereffenaar] (hierna: de vereffenaar). Aan de ontbindingsbeschikking is een formulier “Model T: Overige opgaven” van 3 maart 2020 gehecht waarin de vereffenaar verklaart dat:
“- de Kamer van Koophandel en Nijverheid bij beschikking van 3 maart 2020, de rechtspersoon heeft ontbonden en ondergetekende in zijn functie van 2de Secretaris van de Kamer qq. tot vereffenaar heeft benoemd.
- hij terstond bij zijn aantreden vast heeft moeten stellen, dat geen aan hem bekende baten aanwezig zijn. Krachtens de wet eindigt alsdan de vereffening en houdt de rechtspersoon op te bestaan op het tijdstip waarop deze verklaring bij het handelsregister is gedeponeerd en de bekendmaking hiervan ex art. 2:25, vierde lid, plaats heeft gevonden.”
2.8.
Tot de gedingstukken behoort een uittreksel uit het Handelsregister Curaçao van 4 juni 2024 waarop is vermeld dat belanghebbende “is ontbonden ex artikel 2:25 van Pro het Burgerlijk Wetboek vanaf 3 maart 2020”.
2.9.
De inspecteur heeft met dagtekening 5 september 2020 een navorderingsaanslag Vpb 2017 (hierna: de navorderingsaanslag) aan belanghebbende opgelegd naar een belastbare winst van € 1.458.006 (te weten de gedeeltelijke vrijval van de rentevoorziening conform de VSO van € 1.634.423 minus de door de NV aangegeven negatieve winst van € 176.417) en een belastbaar bedrag na voorwaartse verliesverrekening van € 793.444. Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag heeft de inspecteur bij beschikking (hierna: de rentebeschikking) een bedrag van € 28.992 aan belastingrente in rekening gebracht.
2.10.
Op 8 oktober 2020 heeft [naam 4] te [plaats 2] (hierna: [naam 4] ) op naam van belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslag. [naam 4] heeft op 17 september 2021 beroep aangetekend tegen de uitspraak op bezwaar.
2.11.
Op 22 december 2021 is de jaarrekening 2020 van belanghebbende vastgesteld en op 28 december 2021 is deze gedeponeerd. De balans per 31 december 2020 vermeldt een eigen vermogen van € 7.957.179 en activa van in totaal € 7.968.679.
2.12.
Op 27 april 2022 heeft belanghebbende aangifte Vpb gedaan voor het kalenderjaar 2020. De aangifte vermeldt per jaareinde 2020 een totaal ondernemingsvermogen van € 7.957.179 en activa van in totaal € 7.968.679.
2.13.
Op 28 december 2022 is een gewijzigde jaarrekening 2020 van belanghebbende vastgesteld en gedeponeerd met als vermelding: “Toelichting op heraanlevering van het document op basis van inhoudelijk en onoverkomelijke onjuistheden.” De gewijzigde balans per 31 december 2020 vermeldt een eigen vermogen van nihil en activa in totaal van nihil. In de toelichting op de gewijzigde jaarrekening staat: “Als gevolg van een fiscale beroepsprocedure is er een onduidelijke juridische en fiscale positie ontstaan. De directie heeft externe deskundigen ingeschakeld voor nader onderzoek.”.
2.14.
Op 24 januari 2023 heeft belanghebbende aangifte Vpb gedaan over het kalenderjaar 2021. De aangifte vermeldt per jaareinde 2021 een totaal ondernemingsvermogen en activa van € 7.443.683.
2.15.
Op 25 april 2024 heeft [Advocatenkantoor] namens en op naam van belanghebbende hoger beroep ingesteld. [Advocatenkantoor] was daartoe gemachtigd door [naam 3] (zie 2.1) en niet door de vereffenaar (zie 2.7).
2.16.
De inspecteur heeft een “Inzien Uittreksel” van de Nederlandse Kamer van Koophandel van 4 juni 2024 overgelegd waaruit blijkt dat belanghebbende op die datum was ingeschreven als buitenlandse rechtsvorm met vestiging in [plaats 1] .

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
a. Is het hoger beroep ontvankelijk?
Als het hoger beroep ontvankelijk is komen de volgende vragen aan de orde:
Was de indirect oud-bestuurder en aandeelhouder van belanghebbende bevoegd bezwaar te maken en beroep aan te tekenen tegen de navorderingsaanslag?
Is het bezwaar en beroep niet-ontvankelijk omdat in de VSO is afgesproken dat belanghebbende geen rechtsmiddelen zal aanwenden?
Moet de navorderingsaanslag worden vernietigd omdat deze niet binnen de navorderingstermijn op de juiste wijze bekend gemaakt is?
Is sprake van een ambtelijk verzuim bij het regelen van de aanslag waardoor de inspecteur niet meer mag navorderen?
Is sprake van gewijzigde omstandigheden waardoor de in de VSO overeengekomen vrijval van de rentevoorziening niet hoeft plaats te vinden?
Moet de waarde van de vrijgevallen rentevoorziening worden vastgesteld op de waarde in het economische verkeer in 2017 en daarom op nihil?
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de navorderingsaanslag en de rentebeschikking en tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. De inspecteur concludeert tot niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep en subsidiair tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Vooraf en ambtshalve
Oproeping
4.1.
Op basis van hetgeen onder 1.5 is vermeld in verbinding met artikel 8:26, lid 2, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is het hof van oordeel dat belanghebbende op de juiste wijze is uitgenodigd om op de zitting te verschijnen.
Ten aanzien van het geschil
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
4.2.
Artikel 27h, lid 1, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) bepaalt dat slechts de belanghebbende die bevoegd was beroep bij de rechtbank in te stellen en de inspecteur hoger beroep in kunnen stellen. Het hof ziet zich daarom voor het antwoord op de vraag of [Advocatenkantoor] gerechtigd was om namens belanghebbende hoger beroep in te stellen, voor de vraag gesteld of [Advocatenkantoor] gerechtigd was om beroep in te stellen bij de rechtbank.
4.3.
Artikel 26a, lid 1, AWR luidt als volgt:
“1. In afwijking van artikel 8:1 van Pro de Algemene wet bestuursrecht kan het beroep slechts worden ingesteld door:
a. de belanghebbende aan wie de belastingaanslag is opgelegd;
b. de belanghebbende die de belasting op aangifte heeft voldaan of afgedragen of van wie de belasting is ingehouden;
c. degene tot wie de voor bezwaar vatbare beschikking zich richt;
d. de laatste bestuurder, aandeelhouder of vereffenaar in geval van een belastingaanslag die is vastgesteld met toepassing van artikel 8, tweede lid, van de Invorderingswet 1990 aan een belastingschuldige die is opgehouden te bestaan of waarvan vermoed wordt dat deze is opgehouden te bestaan.”
4.4.
De navorderingsaanslag is met dagtekening van 5 september 2020 opgelegd aan belanghebbende. De inspecteur stelt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is omdat het hoger beroep volgens het hogerberoepschrift van 5 april 2024 is ingesteld “namens en op naam van belanghebbende, [belanghebbende] B.V.”. Naar het oordeel van het hof is dit een verschrijving en is buiten twijfel dat het hoger beroep is ingesteld namens en op naam van belanghebbende. Het hogerberoepschrift verwijst immers onder “inzake” naar “ [belanghebbende] N.V./Fiscus-HB” en de uitspraak van de rechtbank van 13 maart 2024 met nummer BRE 21/3979 is als bijlage bij het hogerberoepschrift gevoegd.
4.5.
Verder betoogt de inspecteur dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is omdat vanaf 3 maart 2020 alleen de vereffenaar (zie 2.6 en 2.7) bevoegd was om belanghebbende te vertegenwoordigen. Belanghebbende is niet bij haar ontbinding op 3 maart 2020 opgehouden te bestaan want uit de aangiften Vpb van belanghebbende voor de jaren 2020 en 2021 blijkt dat zij per jaareinde 2020 en 2021 nog substantiële bezittingen had. Ook uit de jaarrekening 2020 van belanghebbende blijkt dat er op jaareinde 2020 nog substantiële bezittingen waren. Dat deze jaarrekening vervolgens is gewijzigd doet daar volgens de inspecteur niet aan af omdat niet duidelijk is waarom belanghebbende plotsklaps geen bezittingen meer zou hebben en omdat de aangifte Vpb 2020 door belanghebbende niet is aangepast na de wijziging van de jaarrekening. Volgens de inspecteur bestaat belanghebbende nog steeds en dus is de vereffenaar nog altijd de enige die belanghebbende kan vertegenwoordigen. De vereffenaar heeft geen opdracht gegeven om hoger beroep in te stellen en heeft het hoger beroep ook niet later bekrachtigd. Het hoger beroep is dan ook niet door belanghebbende ingesteld. De navorderingsaanslag is niet vastgesteld met toepassing van artikel 8, lid 2, Invorderingswet 1990 dus kan het hoger beroep niet worden ingesteld door de laatste bestuurder of aandeelhouder van belanghebbende. [naam 3] was daarom niet bevoegd om het hoger beroep in te stellen of in te laten stellen. Het hoger beroep is dus niet-ontvankelijk, aldus de inspecteur.
4.6.
[Advocatenkantoor] stelt dat belanghebbende op 3 maart 2020 niet alleen is ontbonden maar op dezelfde dag is opgehouden te bestaan omdat de vereffenaar bij zijn aantreden direct aan de Curaçaose Kamer van Koophandel en Nijverheid heeft gemeld dat geen aan hem bekende baten aanwezig waren. Volgens [Advocatenkantoor] is belanghebbende daarmee op 3 maart 2020 opgehouden te bestaan. [Advocatenkantoor] betoogt dat [naam 3] daarmee als (indirect) laatste aandeelhouder en bestuurder bevoegd was om hoger beroep in te stellen namens en op naam van belanghebbende. Verder stelt [Advocatenkantoor] dat de Belastingdienst wist of had moeten weten dat belanghebbende was opgehouden te bestaan of ten minste had moeten vermoeden dat dit het geval was. [Advocatenkantoor] betoogt dat de Belastingdienst daarom de navorderingsaanslag bekend had moeten maken met toepassing van artikel 8, lid 2, Invorderingswet 1990. Door dat niet te doen heeft de Belastingdienst het volgens [Advocatenkantoor] onmogelijk gemaakt voor belanghebbende om zich te verweren tegen de navorderingsaanslag.
4.7.
Het hof stelt voorop dat uit de mededeling van de vereffenaar dat geen aan hem bekende baten meer aanwezig zijn (zie 2.7), niet zonder meer voortvloeit dat belanghebbende naar Curaçaos recht is opgehouden te bestaan. Daarvoor is ook vereist dat die mededeling juist is. [1] Met hetgeen de inspecteur heeft aangevoerd over de aangiften Vpb voor de jaren 2020 en 2021 (zie 2.12 en 2.14) en de op 22 december 2021 vastgestelde jaarrekening 2020 (zie 2.11) heeft hij aannemelijk gemaakt dat de mededeling van de vereffenaar niet juist was en dat belanghebbende op 3 maart 2020 niet is opgehouden te bestaan. Daar doet niet aan af dat de jaarrekening 2020 vervolgens is gewijzigd (zie 2.13) omdat onduidelijk is welke feiten aanleiding hebben gegeven tot de wijziging en waardoor het eigen vermogen en de activa van belanghebbende gedurende het jaar 2020 zijn verdwenen. Daarbij neemt het hof ook mee dat de wijziging van de jaarrekening niet heeft geleid tot wijziging door belanghebbende van haar aangifte Vpb 2020. Overigens bepaalt artikel 2:31 BWC Pro dat de vereffening eindigt en de vennootschap ophoudt te bestaan als de vereffenaar in het van Landswege uitgegeven blad heeft meegedeeld dat hem geen baten meer bekend zijn. Gesteld noch gebleken is dat een dergelijke mededeling is gepubliceerd. Het hof gaat er daarom van uit dat belanghebbende in ieder geval tot de datum waarop het hoger beroep is ingesteld nog niet was opgehouden te bestaan. Belanghebbende was wel in liquidatie en daartoe was de vereffenaar aangesteld. Op het moment dat de vereffenaar benoemd werd, defungeerde het bestuur van belanghebbende van rechtswege. Vanaf het moment van de ontbinding is dus alleen de vereffenaar bevoegd om belanghebbende te vertegenwoordigen en om eventueel rechtsmiddelen tegen de navorderingsaanslag aan te wenden. Omdat vaststaat dat hij dat niet heeft gedaan, is de slotsom dat het hoger beroep niet door belanghebbende is ingesteld.
4.8.
De stelling van [Advocatenkantoor] dat de Belastingdienst de navorderingsaanslag bekend had moeten maken met toepassing van artikel 8, lid 2, Invorderingswet 1990 faalt ook. Anders dan [Advocatenkantoor] betoogt heeft de Ontvanger het recht om onder bepaalde omstandigheden belastingaanslagen op openbare wijze bekend te maken, maar hij is daartoe niet verplicht. Het is ook niet zo dat belanghebbende daarmee beperkt wordt in haar mogelijkheden om zich te verdedigen tegen de navorderingsaanslag. De vereffenaar had als hij daartoe aanleiding had gezien rechtsmiddelen tegen de navorderingsaanslag aan kunnen wenden. Overigens heeft [Advocatenkantoor] hun stelling dat de Belastingdienst wist of had moeten weten dat belanghebbende was opgehouden te bestaan of ten minste had moeten vermoeden dat dit het geval was, niet onderbouwd. Het betreft een blote stelling die door de inspecteur is betwist onder meer met verwijzing naar het feit dat belanghebbende op 4 juni 2024 nog altijd was ingeschreven bij de Nederlandse Kamer van Koophandel (zie 2.16). Ook op die grond gaat het betoog van [Advocatenkantoor] niet op. De Ontvanger was dan ook niet verplicht om de navorderingsaanslag op openbare wijze bekend te maken en er is dus geen grond om [naam 3] bevoegd te achten om aan [Advocatenkantoor] te vragen namens en op naam van belanghebbende hoger beroep in te stellen.
4.9.
Omdat belanghebbende het hoger beroep niet heeft ingesteld (zie 4.7) en [naam 3] niet gerechtigd was om belanghebbende te vertegenwoordigen bij het instellen van het hoger beroep (zie 4.8) is het hoger beroep niet ingesteld door iemand die daartoe volgens artikel 26a, lid 1, AWR bevoegd is. Het hoger beroep is daarom niet-ontvankelijk.
4.10.
Omdat het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk zal verklaren, komt het niet toe aan de behandeling van de overige geschilpunten.
Tussenconclusie
4.11.
De slotsom is dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.12.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.13.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb Pro.

5.Beslissing

Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
De uitspraak is gedaan door B.J. Rubbens, voorzitter, A.J. Kromhout en J.M. van der Vegt, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
M.M. Stassen-Kanters B.J. Rubbens
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Hoge Raad 21 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:543, r.o. 4.5.1.